www.ebiorix.be

 

 

 

De avontuurlijke belevenissen van
Heidegger en Wittgenstein


Gérard De Fré & Jarl Eschauzier


Hoofdstuk 1

Het was stralend zomerweer. De zon had reeds alle wolken verdreven bij het ochtendgloren en prijkte als een zelfvoldane koningin aan de hemel. Er stond een aangename zeebries en het zou ongetwijfeld weer een prachtige dag worden, de vijfde op rij. Toeristen en strandgangers stroomden toe op de dijk en waren gekleed in bonte kleuren. De hemden, broeken, en leggings waren vaak enkele maten te klein, en ridicule petjes sierden talloze roodverbrande hoofden. Kinderen liepen door elkaar, als kippen zonder kop, luid joelend. Tieners op skateboards of rolschaatsen laveerden vlijmscherp maar zuiver door de massa. De hoorn van de plezierboot, die op het strand geparkeerd stond, loeide om klanten te ronselen. Heidegger observeerde het hele toeristisch tafereel en vroeg zich af of zoiets als een richtlijn bestond die stelde dat alle fatsoen en goede smaak dienen vergeten te worden tijdens de vakantie. Zo leek het er alleszins op. Wittgenstein trok van zijn Dominicaanse sigaar, haalde diep in en blies de rook langs zijn neus uit. Hij bekeek Heidegger aandachtig terwijl hij een bodempje oude donkere rhum schonk in zijn glas en ervan nipte. Toen keek hij naar de kwetterende zeemeeuwen die in de branding van de oceaan aan het ruzieën waren. Heidegger werd wat ongeduldig. Hij had beter moeten weten dan een hypothetische vraag te stellen aan Wittgenstein. Die kon daar zo over doordrammen, had hij de avond voordien al gemerkt.
‘Dus,’ zei Wittgenstein, ‘Die hond is in een wolfsklem gelopen. Ja toch, Heidegger?’
Heidegger knikte.
‘En die wil daar natuurlijk uitgeraken, neem ik aan?’
Weerom knikte Heidegger.
Wittgenstein schonk opnieuw wat rhum in zijn glas. ‘Jij ook een slok?’ vroeg hij. Heidegger bedankte. Hij lustte geen rhum, maar had ook zo zijn principes aangaande het ochtendlijk nuttigen van alcohol. Om halftwaalf kon je spreken van een vroege aperitief, oordeelde Heidegger. Drinken voor die tijd was onverantwoord vroeg borrelen. En Wittgenstein die kon er wat van. Het was nog maar halftien en hij had een hele fles rhum voor zijn neus staan. Heidegger had de avond voordien ook al in de gaten gehad dat Wittgenstein niet verlegen zat om een hele fles drank achterover te kieperen. Hij had nog opgemerkt dat Wittgenstein eerder een naam was om aan de vodka te hangen, maar Wittgenstein had geantwoord dat Heidegger bevooroordeeld was en mensen niet moest trachten in hokjes te duwen. Heidegger had geriposteerd dat zulks geenszins zijn bedoeling was geweest. Achteraf maakte hij de bedenking dat Wittgenstein wellicht een zwak had voor Zuid-Amerika omdat hij, naast het drinken van rhum, ook nog eens sigaren rookte die van dat werelddeel afkomstig waren en een Panama-hoed droeg.
‘Is het een sprekende hond?’
Heidegger schudde het hoofd. ‘Nee Wittgenstein. Het is geen sprekende hond.’
‘Hij kan toch blaffen?’
‘Blaffen kan hij wel.’
Wittgenstein dacht diep na gedurende een tiental seconden. Toen klaarde zijn gezicht op en zijn gezichtsuitdrukking verried dat hij er van overtuigd was dat hij het enigma had opgelost. ‘Moest ik in die hond zijn schoenen staan...’
‘Het is een hond zonder schoenen,’onderbrak Heidegger hem.
‘Zonder schoenen. Kijk eens aan. En hij spreekt al evenmin.’
‘Geen schoenen en enkel blaffen, dus.’
‘Hoe bizar. Maar het verandert niets aan wat ik zou doen, moest ik spreekwoordelijk dan, in die hond zijn schoenen staan,’ zei Wittgenstein met een grijns en inhaleerde uit alle macht van zijn sigaar.
‘De meeste mensen inhaleren sigarenrook niet,’ merkte Heidegger droogjes op.
‘Ze doen maar. De meeste mensen vinden geen gloeilamp uit, maar dat heeft Edison er niet van weerhouden om toch maar die verdomde gloeilamp uit te vinden.’
Heidegger keek op zijn uurwerk dat was stilgevallen om half tien. Dat maakte hem nerveus. Hij was iemand die er op stond steeds het exacte tijdstip te weten. Hij vervloekte de uitvinders van het quartz uurwerk. Die dingen vielen stil zonder te verwittigen. Dit zou in de toekomst niet meer gebeuren. Vanaf nu om de drie maanden sowieso een nieuw batterijtje in dat verrekte ding en aan zijn andere pols een opwindbaar uurwerk, dat hij elke ochtend zou opwinden bij het afgaan van de wekker. Die wekker liep op stroom, maar er zat een reserve batterij in die, bij een netpanne, de wekker behoedde van uitval. Dat vond Heidegger een perfect uitgekiend plan.
‘Die Edison was me er eentje,’ lachte Wittgenstein en schonk ditmaal zijn glas halfvol en bood Heidegger opnieuw een glaasje aan.
‘Vooruit dan maar,’ zei Heidegger. Hij lustte het goedje niet maar de alcohol zou misschien een dempend effect hebben op de spanning die hij voelde omwille van zijn gebrek aan tijdsbesef. En principes over ochtendlijk borrelen waren gemakkelijk om overboord te kieperen, zeker als je het uur niet wist.
‘Dat is gesproken als een echte vent,’ zei Wittgenstein glunderend. ‘Ik drink niet graag alleen. Dan heb ik al snel het gevoel dat ik een probleem heb.’
‘Wittgenstein, jij drinkt van ’s morgens tot ’s avonds. Misschien heb jij wel een probleem.’
‘"Misschien" is hier het sleutelwoord. Wie zal het zeggen of ik al dan niet een probleem heb. Edison alleszins niet. God hebbe zijn ziel.’
‘Vertel me nu wat jij zou doen, als hond in een wolfsklem.’
‘Om hulp blaffen. Zonder twijfel. De longen uit mijn lijf blaffen.’
‘Lijkt dat je een goed idee?’
‘Natuurlijk. Jou niet dan?’
‘Roofdieren uit het bos zouden op het geluid kunnen afkomen. Je bent een gemakkelijke prooi en de geur van bloed zou hen nog meer exciteren.’
Wittgenstein schrok en sloeg zijn ogen teneer. ‘Godverdomme. Daar had ik geen rekening mee gehouden.’
‘Dat dacht ik al,’ zei Heidegger ietwat smalend en nam een fikse teug van zijn glas, waarbij hij zich verslikte, maar dit niet wou laten blijken. Hij hoestte en proestte binnensmonds en liep rood aan. Wittgenstein wachtte geduldig tot Heidegger zich herpakt had.
‘Wat heb jij een rood hoofd gekregen zeg,’ merkte Wittgenstein op.
‘Van de zon. Mijn teer vel kan niet tegen de zon.’
‘Je kan niet tegen rhum. Dat is het.’
Om het tegendeel te bewijzen schonk Heidegger zijn glas halfvol en dronk het ad fundum uit.
‘Het is van de zon,’ herhaalde hij.
Wittgenstein steunde met beide ellebogen op het terrastafeltje, en legde zijn hoofd in zijn handen, waarbij zijn hoed naar achteren schoof. Hij pijnigde zijn hersenen in de zoektocht naar een oplossing voor het enigma van de hond in de klem. Hij kon zich niet meer herinneren hoe lang het was geleden dat hij zo diep had nagedacht. Heidegger keek Wittgenstein rustig aan met een dieproodgekleurde tronie.
Wittgenstein liet uiteindelijk een diepe zucht. ‘Ik geef het op. Die hond is verloren.’
Er speelde een schamper lachje op het gelaat van Heidegger.
‘Is er überhaupt wel een oplossing?’ vroeg Wittgenstein achterdochtig.
Heidegger knikte. ‘En ze ligt zelfs voor de hand.’
‘Vertel op!’
‘Wat je uit het oog hebt verloren, is het feit dat die hond, hoewel hij geen schoenen draagt en niet kan spreken, wel over een stel stevige tanden beschikt.’
Wittgenstein schudde het hoofd. ‘Zo’n stalen wolfsklem, daar kan een hond niet doorbijten.’
‘Inderdaad. Niet door de wolfsklem, maar...’
‘Door zijn eigen poot!’ vervolledigde Wittgenstein enthousiast.
Tevreden schonk hij zichzelf nog een glaasje rhum uit.
‘Je kan je natuurlijk de vraag stellen, wat die hond er voor de rest van zijn leven nog van gaat bakken,’ merkte Heidegger op.
‘Hoezo? Drie poten is toch meer dan genoeg?’
‘Ja dat wel,’ zei Heidegger, ‘Maar in het begin heb ik wel al gezegd dat het om een hond ging die nog maar drie poten had, om mee te beginnen.’
‘Wat voor een onzin.’
‘Geen onzin. Ik heb dat er specifiek bij vermeld.’
‘Hoe is die hond dan zijn eerste poot kwijtgeraakt?’
‘In een wolfsklem, een paar jaar voordien.’
‘In een wolfsklem,’ herhaalde Wittgenstein. ‘Dat beest is al één poot kwijt in een wolfsklem, en toch nog in een met klemmen bezaaid bos rondlopen? En dan op de koop toe, wéér in een wolfsklem eindigen. Luister, Heidegger, ik hou wel van hypothetische vragen, maar de vraagstelling moet correct zijn.’
‘Hoezo?’
‘Als je het mij vraagt gaat het hier om een ezel, in plaats van over een hond.’
‘Dat zou kunnen.’
‘Dat zou kunnen? Het is wel jouw hypothetische vraag, knul! Je moet wel een duidelijk idee hebben over de karakters als je een hypothetische vraag stelt! Een vraag waarin een ezel de hoofdrol speelt, is niet te vergelijken met één waarin een hond dat doet!’
‘Het is al goed.’zuchtte Heidegger.
‘Ja, zucht nog maar een beetje! Daar ben je alvast een stuk beter in dan in het verzinnen van hypothetische vragen!’ brieste Wittgenstein.
‘Maak je toch niet zo druk. Het was maar een raadseltje.’
‘Maar een raadseltje! Ik heb in mijn hele leven nog nooit zo diep nagedacht als daarnet! Het zou me niets verbazen dat ik een hersenspier heb verrokken! Als dat zo is, dan mag jij de rekening betalen.’
‘In je hersens zitten helemaal geen spieren.’
‘Wat kraam jij toch voor een onzin uit. Heb je dan nog nooit gehoord van denksport? Ken jij één sport waarbij er geen spieren worden gebruikt.’
Heidegger sloeg zijn ogen naar de hemel.
‘Ja, doe dat! Kijk maar naar boven! Zucht maar! Doe wat je niet laten kan, maar kom nooit meer aandraven met een hypothetische vraag, roodkop! Teer vel, mijn reet.’
Beide mannen keken naar de meeuwen in de branding en enkele minuten gingen voorbij. De gemoederen bedaarden.
‘Bekijk die vogels. Altijd maar lawaai maken en ruziën,’ lachte Wittgenstein.
‘Ja. Die kunnen er wat van,’ beaamde Heidegger.
‘Geen zorgen aan hun kop, de kunst van het vliegen onder de knie, vis in overvloed, en nog niet tevreden. Toch nog een reden vinden om elkaar de huid vol te schelden.’
‘Stel dat jij een meeuw zou zijn, Wittgenstein,’zei Heidegger.
Wittgenstein leunde achterover, dacht na en staarde peinzend in de verte. De grote schepen aan de horizon leken nauwelijks te bewegen. De zon bereikte haar hoogste punt en het strand liep langzaam leeg. Mensen trokken zich terug in hun appartementen aan de boulevard om wat te eten of te slapen, om enkele uren later weer te gaan braden. De hitte was schier ondraaglijk.
Met een ietwat jaloerse blik keek Wittgenstein naar Heidegger. Het viel onmogelijk te ontkennen dat deze beter op de gelegenheid gekleed was dan hijzelf.
Heidegger droeg een blauwe bermuda, waarop gele silhouetten van palmbomen te zien waren. Een vreemd gevormd exemplaar trok de speciale aandacht van Wittgenstein, tot hij zich realiseerde dat het hier om een gele vlek ging die waarschijnlijk nog niet op de stof aanwezig was geweest op het moment dat deze door Chinese naaistertjes zo ijverig in elkaar gezet was. Wittgenstein dacht bij zichzelf dat de ouderdom ontegenzeggelijk met gebreken komt.
Daarboven droeg Heidegger een wit mouwloos hemd. De bovenarmen waren vanaf de schouders tot halverwege de biceps knalrood, daar hij eerder de week een exemplaar dat wel mouwen bezat, gedragen had. Ook om zijn hals bevond zich een rood verbrande kraag van huid. Armen en benen waren nu ingesmeerd met een dikke laag zonnebrandcreme. Zijn hoofd had hij weliswaar over het hoofd gezien. Aanvankelijk had Wittgenstein zijn vriend hierop attent willen maken, maar later was hij gefascineerd geraakt door het steeds roder wordende hoofd van Heidegger en bedacht dat het een interessant experiment was om het natuurlijk beloop af te wachten.
Wittgenstein droeg zelf een grijs, drie-delig, linnen kostuum. Zijn Panama-hoed bedekte het grootste gedeelte van zijn gezicht. De knoop van zijn das had hij, na een lange innerlijke strijd, wat losser gemaakt. Wittgenstein hechtte eraan goed voor de dag te komen. Hij was blij wanneer hij een compliment kreeg over zijn verzorgde uiterlijk. Tegelijkertijd voelde hij een verlangen zich te ontdoen van al die vermoeiende conventies, die ketenen der goede smaak.
Heidegger leek van dat alles minder last te hebben. Schijnbaar tevreden zat hij op de terrasstoel en keek naar de horizon. Het viel Wittgenstein op dat het hoofd van Heidegger roder en roder werd, hier en daar begonnen kleine blaasjes te ontstaan.
De lucht trilde van de hitte.
‘We hadden het over meeuwen,’ zei Heidegger, ‘over die sierlijke witte schepsels die zo gracieus door azuren heem’len zweven. Stel je toch eens voor hoe het zou zijn om zulk een zeevogel te zijn.’ Wittgenstein bedacht dat zijn vriend soms best poëtisch kon klinken. ‘Een meeuw te zijn...’ prevelde hij, ‘wonder uit een ei.’
‘Ja,’ zei Heidegger, ‘maar als het ei er was vóór de meeuw, wie heeft het dan gelegd? Dat is heel gemakkelijk als je er even over nadenkt.’
‘Wacht even. Laat me dan even de tijd.’ Wittgenstein sloot zijn ogen om zich beter op het raadsel te concentreren. ‘Ho maar, Heidegger, het is toch geen hond met drie poten hé?’
‘Nee. Trouwens honden leggen geen eieren, ongeacht het aantal poten dat ze hebben.’
‘Dat weet ik ook. Ik wou het gewoon even van je horen, zodat we daar straks geen discussie over hebben.’ Wittgenstein sloot opnieuw zijn ogen.
Heidegger keek op zijn uurwerk en stelde geïrriteerd vast dat het nog altijd stil was gevallen. Hij wenkte een ober. Een jonge knaap met pafferig aangezicht, gekleed in wit hemd, zwarte broek en lange zwarte voorschoot snelde toe.
‘Een Sprite alstublieft.’
‘Dat hebben we niet, mijnheer.’
‘Fanta dan.’
‘Ook niet, mijnheer.’
‘Wat heb je dan wel?’ vroeg Heidegger geërgerd.
‘Orangina.’
Heidegger twijfelde of hij dat wel zou bestellen. Orangina was wel lekkere limonade, maar de pulp die er in zat, zat hem dwars. Hij kon zich levendig voorstellen hoe een dorstig iemand te gulzig omsprong met het goedje en zich verslikte in de pulp. Waarom legden die reclamemakers ook weer telkens de nadruk op die verdomde pulp en repten ze met geen woord over eventuele nadelige effecten ervan? Of waarom vermeldden ze er niet nadrukkelijk bij dat er nog nooit iemand was gestorven aan de gevolgen van verstikking door pulp? Omdat dat waarschijnlijk al wel gebeurd was. Er waren miljarden mensen op de wereld die allemaal vroeg of laat het loodje moesten leggen. Het leek Heidegger vanzelfsprekend dat er wel een paar tussen zaten die tengevolge van pulp waren heengegaan. Aan de andere kant vond hij Orangina een succulent drankje. En de alcohol had hem wat losgemaakt. Hij was in de stemming voor wat gevaar.
‘Geef me dan maar een Orangina.’
De kelner keek vervolgens naar Wittgenstein. ‘En voor u nog iets mijnheer?’
‘Ik denk na.’ antwoordde hij.
Na een tiental seconden vroeg Heidegger: ‘Denk je na over de bestelling of over de meeuw en het ei?’
Wittgenstein opende zijn ogen. ‘Een Coca-Cola’
‘Het is Pepsi,’ verwittigde de kelner.
‘Ai.’ zei Wittgenstein en wreef in zijn ogen.
‘Neem anders ook een Orangina. Dat is verfrissend,’ stelde Heidegger voor, die van mening was dat men beter niet alleen de gevaren van het Orangina drinken trotseerde.
Wittgenstein wuifde dit weg. ‘Nee bedankt. Ik heb me ooit zodanig in die pulp verslikt dat ik bijna het hoekje ben omgegaan.’
Heidegger voelde zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd en zijn hartslag versnellen.
‘Doe toch maar een Pepsi,’ zei Wittgenstein.
De kelner draaide zich om, maar Heidegger hield hem tegen. Niet terugkrabbelen, dacht hij. ‘Kan u me vertellen hoe laat het is.’
De knaap keek op zijn uurwerk, zei ‘Twintig na tien,’ en ging heen.
‘Dat wil zeggen dat iedereen te laat is,’ zei Heidegger.
Wittgenstein haalde zijn schouders op. ‘Wat is nu een kwartiertje?’
‘Twintig minuten.’
‘Dat lijkt lang omdat jij hier perse een uur op voorhand wou zijn.’
‘Beter te vroeg dan te laat.’
‘Ieder heeft daar zo zijn eigen mening over.’
‘Weet je nu al waarom het ei er voor de meeuw was?’
Er speelde een lachje rond Wittgenstein’s mond. ‘Ik denk dat het een instinker is. Ik denk dat vroeg of laat die kreupele hond weer op de proppen komt.’
‘Nee. Ik verzeker je. Er komt geen hond aan te pas.’
‘Dat is dan spijtig. Ik vond dat raadseltje met die driepotige hond wel geslaagd.’
‘Geslaagd? Je ging me daarnet bijna te lijf omwille van die verdomde hond.’
Heidegger en Wittgenstein schrokken en deinsden op hun stoel achteruit toen er een frisbee met hoge snelheid op hun tafeltje neerstortte. Ondanks een snelle reflex kon Wittgenstein niet verhinderen dat de fles rhum hierbij van tafel donderde en kapot viel op de grond. Een jongetje kwam naar hun tafel gerend. Hij was een jaar of zeven, droeg een pet van de New York Yankees en een T-shirt waarop gedrukt stond ‘Fuck Authority’. Het zag er een hevig baasje uit. Wittgenstein nam de gifgroene frisbee vast en bekeek het jongetje.
‘Geef hem terug.’ De jongen stak ongeduldig zijn hand uit.
‘Hebben ze je niet met twee woorden leren spreken?’ vroeg Wittgenstein op strenge toon.
Heidegger keek rond om zich ervan te vergewissen of er nergens geen agressieve ouder te bespeuren was.
‘Geef hem terug alstublieft meneer,’zei de vlegel.
‘En mijn rhum? Wie gaat mijn rhum betalen?’
‘Het is veel te vroeg om te zuipen, meneer,’ riposteerde de jongen.
Wittgenstein had onmiddellijk sympathie voor deze jeugdige rebel en gaf hem zijn frisbee terug.
De jongen rende het terras af, over de dijk, het strand op.
‘Vranke kleine,’ zei Heidegger.
‘Hij heeft pit.’
‘Daarmee heb jij je rhum nog niet terug.’
‘Het kereltje heeft gelijk. Het is eigenlijk te vroeg om al te zuipen.’
De kelner kwam de bestelling brengen. Heidegger bekeek argwanend de pulp in zijn glas. Wittgenstein taxeerde op dezelfde manier zijn cola.
‘Cola zonder rhum, en dan nog Pepsi. Het kan verkeren, zou Bredero zeggen.’
‘Zei die dat?’ vroeg Heidegger.
‘Ja.’
‘Dat klinkt als een hoop onzin.’
‘Dat is het ook, maar hij heeft het toch maar gezegd,’ antwoordde Wittgenstein.
Op dat moment spatte een portie meeuwenstront uiteen op het rode, zwetende hoofd van zijn metgezel. Vloekend en tierend trachtte Heidegger zijn ogen schoon te vegen.
Wittgenstein moest zich inhouden om niet in een onbedaarlijke lach te schieten. ‘Is het stront of ei?’ vroeg hij.
‘Stront natuurlijk! Alsof die meeuwen zomaar in de vlucht eieren leggen!’ Heidegger tastte naar zijn hoofd, maar smeerde hierbij enkel maar het goedje meer uit. Toen de vogelstront in contact met zijn ogen kwam schreeuwde hij het uit. ‘Ik word blind!’
‘Stel je niet zo aan, Heidegger! Neem in duik in de zee! Trek dat hemd uit en ga het water in!Ondertussen zal ik hiernaast, in de souvenirwinkel, een nieuw hemd kopen. Het jouwe zit onder de kak.’
Heidegger verstijfde. Dit was een onoverzienbare situatie. Hij had het gevoel dat hij de controle over zichzelf verloor. ‘Wat als ik allergisch ben aan het zeewater. Wat als er chemicaliën inzitten?’
‘Ik heb daarnet wel honderden mensen zien baden, en die blaakten van gezondheid,, ook toen ze uit het water kwamen. Het is jouw keuze. Een frisse plons of blind voor de rest van je leven.’
Heidegger stond op, trok zijn hemd uit, en zei: ‘Zoek een hemd uit dat past bij mijn bermuda. Geld is geen probleem.’ Daarna stoof hij als een gek naar de branding. Wat later zwom hij blij als een kind door de brekende golven.
‘Is deze stoel vrij?’ hoorde Wittgenstein plots een zwoele stem vragen.
Hij was zo verzonken geweest in de aanblik van zijn vriend die zich door het opspattende water bewoog, dat hij niet had opgemerkt dat een welgevormde vrouwelijke verschijning hem tot dichtbij genaderd was.
Nu richtte hij zijn blik op haar en even stokte zijn adem.
Hij zag een bijzonder mooie vrouw. Het rood van haar kunstig gesneden bikini contrasteerde met haar caramelkleurige huid.
Snel herpakte hij zich. ‘Natuurlijk, mag ik vragen wat je hier brengt, schoonheid?’
Een lach brak door op haar gezicht. ‘Ik zat thuis en bedacht mij dat het een goed idee zou zijn aan het strand wat verkoeling te zoeken.’
Jij zult hier geen verkoeling vinden schatje, integendeel, integendeel, dacht Wittgenstein, maar hij zei niets en lachte haar vriendelijk toe.
Zij had zich ondertussen op de stoel van Heidegger genesteld en keek naar de meeuwen. ‘Wat een bijzondere vogels zijn dat toch’, sprak ze.
‘Sierlijke witte schepsels die gracieus door azuren heem’len zweven’, sprak Wittgenstein op plechtige toon. ‘Wat zeg je dat mooi’, zei de vrouw bewonderend en schoof haar stoel wat dichter bij de zijne. Net op het moment dat Wittgenstein voorzichtig zijn hand op haar knie legde, klonk vanuit de branding een luid geschreeuw.
Een vreemde verschijning kwam uit de zee gerend. Een man met een witte romp, rode ledematen en een nog roder hoofd, holde het strand op. In zijn linker kuit had zich een ferme kreeft vastgebeten. De knappe vrouw aanschouwde het tafereel met grote angstige ogen.
‘Wie is die man?’ vroeg ze zachtjes aan Wittgenstein.
‘Een zekere Heidegger’ sprak deze.
Ze zagen hoe Heidegger zich liet vallen en op het zand rolde. Al snel kwamen er langs alle kanten nieuwsgierige badgasten aangestormd. Wittgenstein rekende erop dat er wel één van die mensen enige medische scholing had genoten, zodoende was zijn vriend in goede handen.
De vrouw keek diep in de ogen van Wittgenstein. ‘Ik heb mezelf nog niet geïntroduceerd,’ zei ze, ‘Ik ben...’
Wittgenstein gebaarde dat ze moest zwijgen.
‘Nee. Geen naam. Ik wil niet dat er een naam wordt vastgepind op een bevallige creatuur als uzelf. Een vleesgeworden mirakel en tempel van esthetiek.’
‘O’, zei de vrouw, ‘wat spreekt u flatterende woorden.’
‘Het is geenszins flatterend, doch enkel de waarheid en niets dan de waarheid. Een naam zou enkel maar afbreuk doen aan uw wezen, en perfectie. Daarom zal ik u vanaf nu ‘de caramel’ noemen.’
‘De caramel?’ reageerde de vrouw, toch ietwat verbaasd.
‘Ja, naar analogie met uw huidskleur en verwijzend naar de zoete smaak van het snoepgoed.’

Ondertussen had een prachtige zwarte vrouw zich over het lot van Heidegger ontfermd. Ze brak de schaar van de kreeft heldhaftig open, gooide het zeemonster als een speer terug het water in, en depte de wonde met haar lendendoek. Heidegger kon zijn ogen amper geloven. Hij had nog nooit zulk een innemende exotische schoonheid gezien. Toen ze haar hand op zijn verbrande voorhoofd legde, had hij het gevoel te zullen gaan zweven. Er ging een siddering door hem heen. ‘Rustig maar, schatje’ zei ze met een engelenstem. Ze zoende hem op de mond en de smaak van haar lippen was die van chocomouse.
‘Chocomousse. Mijn lieve, lieve chocomousse,’ stamelde Heidegger. Hij bekeek de vrouw die naar hem lachte. Ze was perfect. Athletisch gebouwd, maar kwetsbaar. Haar huid voelde zijdezacht aan en het minuscule badpak dat ze droeg, was sexy maar niet onzedig.
‘Zal ik sterven, chocomousse?’
‘Nee. Je bloedt zelfs niet meer. Het is maar een klein sneetje.’ Ze hielp hem overeind en gaf hem nog een kus.
‘Kom even met me mee.’ zei Heidegger, ‘Ik moet je aan iemand voorstellen.’
Ze liepen beiden naar de dijk en Heidegger zag dat Wittgenstein rechtop ging staan en naar hem toe kwam.
Wittgenstein riep: ‘Is alles in orde?’, maar Heidegger kon het niet verstaan.
De twee mannen liepen naar elkaar toe, beiden op wolkjes door de vrouwelijke aandacht die ze hadden gekregen, zo maar, overwachts. En niet van zomaar vrouwen. Echte prachtexemplaren waren het, zowel qua schoonheid als karakter. Maar, zoals men in de volksmond zegt, beste lezers, mooie liedjes duren niet lang en u voelt de bui al hangen. Het is een spijtige zaak dat Heidegger, noch Wittgenstein, de trapauto, die bemand was door zes dronken bejaarden, niet zagen afkomen, net op het moment dat dat ze nog een halve meter van elkaar verwijderd waren.


Hoofdstuk 2

De lijkwagen vertrok met een ongekende vaart van het mortuarium en kwam na een honderdtal meter bruusk tot stilstand toen hij het bontgekleurde bestelwagentje van de ijsventer ramde. De botsing ging gepaard met een oorverdovend lawaai, waardoor zowel patiënten als personeel van het nabijliggend ziekenhuis nieuwsgierig naar buiten keken om de schade op te meten. De chauffeur van de lijkwagen kwam strompelend uit zijn voertuig en stak een litanie af tegen de ijsverkoper, die zich niet liet doen en van zich afbeet. Al gauw werden er harde woorden gesproken en kwam het tot een handgemeen. Geen van beiden had gezien dat de lijkwagen tengevolge van de impact zijn lading had verloren. De zwarte doodskist was op de straatstenen beland en het lijk van een bejaarde vrouw lag uitgestrekt op de rijweg. Enkele kinderen maakten van de gelegenheid gebruik om zich snel te bedienen van gratis pistache-ijs. Het zou nog enkele minuten duren voor iemand in de gaten kreeg dat tussen de camionette en de lijkwagen een rolstoelpatiënt tot moes was geplet.
Enkele uren later, het was inmiddels middag, lag het ziekenhuis er terug rustig bij. Er lagen geen lijken meer op straat, en vermorzelde rolstoelpatiënten waren vakkundig van het asfalt geschraapt. De vechtersbazen bleken beiden dronken en werden geboeid naar het politiebureau gebracht, samen met enkele kinderen die van diefstal van pistache-ijs beticht werden en vermoedelijk voor een jeugdrechter moesten verschijnen, gezien de morbide omstandigheden waaronder zij hun delict hadden gepleegd.
Het was nog lang geen bezoekuur, en de patiënten hadden net hun lunch achter de kiezen. In kamer zeshonderddertien zat er een vlieg aan de lamp.
‘Ik weet waar jij nu aan denkt’, zei Heidegger.
‘Denk je?’ vroeg zijn kamergenoot Wittgenstein.
‘Dat weet ik wel zeker’, riposteerde Heidegger.
‘Ik denk er het mijne van’, mompelde Wittgenstein nukkig.
‘Waarover?’
‘Over het feit of jij al dan niet weet of denkt te weten wat ik denk.’
‘Ik weet het gewoon.’ bleef Heidegger volhouden.
‘Ik denk het niet.’
‘Maakt mij niets uit. Ik denk wat ik denk.’
‘Ik ook en ik denk dat jij niet weet wat ik denk.’
‘Dat denk jij’, zei Heidegger en zette met de afstandsbediening de televisie aan. Op het schermpje verscheen een vrouw in sexy sportkledij die een machine aanprees die haar honderd kilo lichter had gemaakt waardoor ze van een paria in een promiscuë snol was veranderd.
‘Ja, dat denk ik. En laat me nu met rust. Ik voel mijn bloeddruk zo de hoogte ingaan door dit gesprek. Dat is slecht voor mijn zenuwen.’zei Wittgenstein geërgerd.
‘ Jouw zenuwen? Ik ben hier degene met zenuwen. Zeg me nu dan gewoon waar je daarnet aan dacht.’
‘Wanneer?’ vroeg Wittgenstein.
‘Zopas. Toen ik zei dat ik wist waar jij aan dacht.’
‘Dat herinner ik me niet. Het enige dat ik heb onthouden is dat ik zeker was dat jij niet wist waaraan ik dacht.’
‘Hoe kan je daar zo zeker van zijn als je zelf niet meer weet wat het was.’
‘Verdomme. Dát weet ik nog.’
‘Dat dénk je nog te weten.’ zei Heidegger.
Een verpleegster kwam binnen om de lege maaltijdschotels af te ruimen. Ze lachte vriendelijk naar beide mannen en vroeg: ‘Alles in orde mijne heren?’
‘Ja zuster.’zeiden ze breed glimlachend in koor.
Ze verliet de kamer en de twee mannen keken haar schaapachtig na. Op televisie bleef de snol onuitgeput de machine aanprijzen die behalve een toestel om te vermageren ook kon dienst doen om wafels te bakken, roomijs te maken en chocoladesaus te bereiden.
‘Ik weet alweer wat je denkt.’ zei Heidegger.
‘Dat denk jij alleen maar. Enkel ik weet wat ik zelf denk.’ antwoordde Wittgenstein.
‘Neenee. Ik weet wat je denkt.’
‘En ik weet dat je het niet weet.’
‘Zeg het dan.’ zanikte Heidegger verder.
‘Wel, ik dacht: Die verpleegster ziet er heel goed uit, maar dat verandert niets aan het feit dat het eten deze middag niet te vreten was. Ze schotelen ons hondenvoer voor en verwachten dat we die wrange smaak wel vergeten bij het zien van een knappe vrouw. Dat pik ik niet.’ Heidegger keek verbaasd op: ‘Is dat wat jij dacht?’
‘Ja. En, wist je het?’vroeg Wittgenstein.
‘Nee, ik meende te weten dat jij iets heel anders dacht.’
‘Wat dan?’
‘Je weet wel.’ zei Heidegger en knipoogde.
De snol op televisie was nu wafels met roomijs overgoten met chocoladesaus aan het binnenwerken alsof het haar laatste avondmaal betrof.
‘Nee, ik weet het niet, anders had ik dat dan wel gedacht.’ snauwde Wittgenstein.
‘Ik dacht dat jij dacht aan hoe het zou zijn om met die verpleegster eens goed van bil te gaan.’
‘Vuile viezerik!’ riep Wittgenstein verontwaardigd
Heidegger ging in de verdediging en zei ‘Waarom?Je mag toch wel eens iets denken hé. Dat ben ik trouwens ten voeten uit: een denker!’
‘Wat zullen de kinderen van die verpleegster wel denken, als die zouden weten dat jij hun moeder wil neuken? Fraai is dat’
‘Hela. Dat heb ik nooit beweerd!’ zei Heidegger met verheven stem.
‘Jawel, en dan ben je nog zo arrogant om aan te nemen dat anderen dezelfde vieze gedachten hebben als jezelf. Die vrouw klopt lange uren en krijgt te weinig betaald voor het verzorgen van mensen zoals jij en ik, en in plaats van ze met respect te bejegenen zit jij hier wat te lallen dat je ze wil neuken.’
‘Dat heb ik niet gezegd! Hoor je! Dat heb ik niet gezegd!’
‘Jawel! En ik zal zorgen dat je vriendin, de chocomousse, tijdens het bezoek, alles te weten komt.’
‘Wat?! Riskeer dat maar eens en ik maak je kapot!!’ riep Heidegger razend.
‘Hou je muil maar mooi dicht of ik zal je vannacht eens rap versmachten met een hoofdkussen!’ schreeuwde Wittgenstein, buiten zijn zinnen.
Heidegger klauterde uit bed en huppelde als een razende op Wittgenstein af. Binnen enkele seconden kwam er een verschrikkelijk kabaal uit kamer dertien. Vier potige verplegers vielen de kamer binnen en gaven de vechtersbazen elk een inspuiting in hun bil, los door hun pyamabroek. Enkele seconden later keerde de rust in de kamer terug.
‘Hoeveel heb jij gehad?’ vroeg Wittgenstein.
‘Ik denk twee cc, maar ik ben niet zeker.’
‘Ik ook.’
Daarna werd het stil en voor ze beide in een diepe slaap vielen, vroeg Heidegger: ‘Niets vertellen aan de chocomousse straks, hé?’
‘Wat mag ik niet vertellen?’ vroeg Wittgenstein.
‘Wel, dat ik de verpleegster volgens jou wou neuken en dat we gevochten hebben.’
‘Nee, nee. Wees maar gerust. Slaapwel.’
‘Slaapwel. Tot vanavond.’
‘Ja, tot vanavond. Viezerik.’
Al gauw werd het terug stil in de kamer, op het geluid van het braken van de televisiesnol na.

Toen de caramel en de chocomousse later op de middag op bezoek kwamen, lagen beide heren te slapen als marmotten. De dames vroegen aan de hoofdverpleegkundige, een man met sikje en potserige bril, hoe het kwam dat hun mannen de voorbije dagen steeds zo diep sliepen, tijdens het bezoekuur.
‘We moeten ze soms wat extra medicatie geven.’
‘Hoezo?’ vroeg de caramel.
‘Tja. Ze hebben allebei een hersenschudding, en het is dan mogelijk dat mensen daardoor soms een beetje…verward zijn. Ze slaan door.’
‘Oeioei. Het zal toch beter worden?’
‘Het is te hopen,’antwoordde de hoofdverpleegkundige, ‘anders wordt het een plaatsing.’
‘Een plaatsing? Maar Heidegger is nog in de fleur van zijn leven.’ zei de chocomousse.
‘Dat is geen probleem. Er zijn hier al mensen van twintig jaar en jonger naar het ouderentehuis versast. Het is vooral de mentaliteit die telt, en minder de leeftijd.’
‘Is er dan geen andere oplossing?’ vroeg de caramel.
De hoofdverpleger fronste even zijn wenkbrauwen en zei dan. ‘Voor ons is de situatie alleszins nog moeilijk haalbaar. Morgen komt de psychiater langs. Als die beslist dat ze naar een psychiatrische kliniek moeten, dan gaan ze daar heen. Vrijwillig of tegen hun zin.’
‘Psychiatrische kliniek! Is hij dan zot?’ vroeg de caramel.
‘In elk geval te zot om los te laten lopen. Als hij niet wil gaan, dan wordt hij gedwongen opgenomen in een gesticht! Dat geldt trouwens voor beiden!’
‘Oeioeioei’, jammerde de caramel, ‘Dat gaat Wittgenstein niet plezierig vinden. En zeggen dat hij tmaar er observatie werd opgenomen.’
‘Kom, kom, kind. Heidegger zit in hetzelfde schuitje maar het is nog niet zo ver. Morgen herpakken ze zich misschien. Laten we dat hopen.’ zei de chocomousse.
‘Ja,’zuchtte de hoofdverpleger. ‘je kan altijd hopen, hoe naïef dat ook mag zijn. Ik hoop in elk geval dat ik deze week de lotto win. Dan ben ik van die kutjob eindelijk voorgoed af.’ De caramel en de chocomousse keken mekaar geschokt aan.
‘En nu moeten jullie me excuseren want in kamer drie heeft er blijkbaar een demente oude wrak zijn hele bed ondergescheten, ondanks het gebruik van drie pampers tegelijk.’
‘Veel succes ermee.’stamelde de caramel. De vrouwen groetten elkaar spraken af om de volgende dag op dezelfde tijd present te zijn.

Het was iets na halfnegen toen er een kereltje van een jaar of twintig de kamer van Wittgenstein en Heidegger binnenstapte. Beide heren waren blij verrast om eens een nieuw gezicht te zien en lachten vriendelijk naar de rosse knaap, wiens tronie vol acné stond en die in plaats van twee wenkbrauwen er maar één had die over de neusbrug doorliep. Hij had een geruit hemd en een jeansbroek aan die iets te kort was waardoor je ongeveer drie centimeter van zijn witte sportsokken kon zien. Hij droeg een witte doktersjas en had een setje bij om een bloedafname te verrichten.
Ocharme, die geraakt nooit aan een lief, dacht Wittgenstein.
Heidegger bekeek Wittgenstein en zei: ‘Ik weet wat je denkt.’
‘Hou er mee op. Nu. Het is te vroeg om een kalmeerspuit te krijgen.’ zei Wittgenstein.
Heidegger knikte instemmend.
De jongen nam een stoel die hij naast het bed van Heidegger zette en nam plaats. Heidegger lachte nog eens vriendelijk naar hem en de jonge kerel deed een poging om terug te lachen, waarbij zijn gezicht in een afzichtelijke grimas trok. Het viel Heidegger op dat het kereltje teveel tandvlees had dan goed voor hem was en dat zijn bek stonk alsof er een dood musje in lag te rotten. Hij hoopte dat de knaap geen bron van smerige virussen en microben was. Met zulk een stinkende adem kon je maar beter uitkijken.
‘Ik moet uw bloed trekken.’zei de knaap.
‘En u bent?’ vroeg Heidegger, authentiek geïnteresseerd.
‘Ik ben de stagiair. Mij laten ze kutjobs doen zoals bloedafnames en zulke zever.’ antwoordde hij.
‘Dus je wilt verpleegster worden?’vroeg Heidegger, zonder enige ironie.
Wittgenstein moeide zich in het gesprek en zei: ‘Verpleegster? Je ziet toch dat het een man is!’
‘Mannelijke verpleegster, dan.’verbeterde Heidegger zichzelf.
De jongen die bezig was om naalden uit steriele verpakkingen te halen zei: ‘Dokter zal ik worden.’
‘Amai, zeg,’zei Heidegger, ‘uw ouders zullen wel fier op u zijn.’
‘Mijn ouders? Zwijg mij over die randfiguren. Mijn moeder is een hoer en mijn vader een dronkaard, de vuile neger.’
‘Zeg!’ riep Wittgenstein, ‘Zo mag je niet praten over je ouders! Het zou me trouwens verwonderen dat uw vader een neger is, als ik de kleur van uw haar bekijk. Trouwens, Heidegger zijn vriendin is een negerin!’
De stagiair keek kwaad naar Wittgenstein en antwoordde bitsig: ‘Ga je beweren dat ik een bastaard ben?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
Op dat moment schreeuwde Heidegger het uit van de pijn. De stagiair had hem met een naald in de arm gestoken.
‘Geen drama maken. Het is gewoon een bloedafname.’ zei de stagiair die met bezweet voorhoofd met een naald in Heidegger’s arm zat te koteren. Waar hij ook stak, er kwam geen druppel bloed in het daarvoor bestemde reservoir terecht. Bloed druppelde wel uit de diverse kleine prikwonden langs Heidegger’s onderarm de grond op.
‘Verdomme! Het lukt niet! Werk toch mee!’ schreeuwde de stagiair.
‘Ik help mee! Wat wil je dat ik doe?’gilde Heidegger.
‘Ja! Wat wil je dat hij doet?!’riep Wittgenstein meelevend, met zijn handen voor zijn ogen omdat hij de aanblik van bloed niet kon verdragen.
De stagiair trok de naald uit Heidegger zijn armen en zuchtte: ‘Het is toch godgeklaagd dat ik die later radioloog wil worden me met zulk een stupiditeiten moet bezighouden.’
‘Je moet eerst de basis kunnen vooraleer je aan specialiseren begint te denken! Prutser! Ik voel nu al dat die wonde gaat infecteren!’ riep Heidegger kwaad.
‘Zwijgen!’ beval de onvriendelijke stagiair, ‘En geef me je andere arm zodat ik het nog eens probeer.’
Heidegger veerde recht uit zijn bed. ‘Geen sprake van! Roep maar een collega die zijn job wel kan! Jij blijft van mijn lijf!’
‘Altijd hetzelfde met die klote patiënten’, sprak de stagiair en duwde het karretje waarop de benodigheden voor het bloedprikken lagen richting deur. Daar aangekomen bedacht hij zich en keek met een waanzinnige blik naar Heidegger. ‘Ik weet het! Een vlindertje! Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Daar kan elke randdebiel wel bloed mee prikken.’
‘Nu is hij echt zot geworden’ mompelde Wittgenstein, blij dat hij niet degene was bij wie bloed getrokken moest worden.
‘Nee, oude dwaas! Ik ben niet zot geworden! Integendeel! Dit is een briljante ingeving. Met een vlindernaaldje kan zelfs de meest terminale Parkinsonpatiënt bloed prikken’ sprak de stagiair die even pauzeerde voor een maximaal dramatisch effect. ‘Een vlindertje is een hulpstukje waarmee op vrijwel pijnloze wijze van de patient met onwillige vaten toch wat bloed kan worden afgenomen’
‘Als een vlinder in het ziekenhuis, door wit ivoren zalen zwevend’ zei Wittgenstein plechtig.
‘Ja, ja, jij hebt makkelijk praten. Waarom heeft die rossekop zijn hulpstuk niet van de eerste keer gebruikt? Omdat het een sadist is!’ riep Heidegger, die de stagiair niet meer kon luchten en wiens pijndrempel ondertussen al overschreden was.
De stagiair had zijn plek bij het bed weer ingenomen en begon een klein naaldje, met aan beide zijden een vrolijk gekleurd vlindervormig hulpstukje, uit zijn verpakking te halen.
‘Deze keer zal ik wat bloed van uw hand nemen’ legde hij uit, en tuurde met ingespannen ogen naar bloedvaten die over de handrug van Heidegger kronkelden. Hij nam het vlindernaaltje tussen duim en wijsvinger en bewoog het langzaam richting de hand. De spanning steeg, een zweetdruppel verscheen op zijn voorhoofd, de amplitude van zijn tremor, die met wat goede wil tot dat moment nog als fysiologisch te beschouwen was geweest, nam toe in hevigheid.
Op het moment dat het naaldje bijna zijn hand raakte, trok Heidegger in een reflex zijn arm terug, en stootte hierbij hij zijn elleboog zodanig hard tegen de rand van het bed, dat zijn arm weer naar voren schoot. Het volgende ogenblik slaakte hij een hartverscheurende schreeuw. De stagiair had zich niet bewogen en de vlindernaald was precies onder de nagel van Heidegger’s wijsvinger terecht gekomen en had zich hier een weg naar binnen geboord.
Hij keek verschrikt naar het gezicht van zijn patient tot hij bemerkte dat zijn poging deze keer geslaagd was. Er liep wat bloed in het slangetje dat aan de naald bevestigd was. Balancerend tussen vreugde en wanhoop pakte hij een bloedbuisje en probeerde dit op het slangetje aan te sluiten. Ver kwam hij niet, een gigantische kaakslag van de ongeschonden hand van Heidegger liet hem van zijn krukje tuimelen. Het karretje met benodigheden sleepte hij in zijn val met zich mee. Toen hij breeduit op de grond belandde met de afdruk van Heidegger’s hand op zijn wang, drukte hij op de alarmknop in de jaszak van zijn witte jas.
Een zwaailicht boven de deur van onze twee helden sprong aan en een sirene huilde door het gebouw.
‘Tot zover het pijnloze vlindertje’ zei Wittgenstein op ironische toon.
Vlak daarna werd de deur geopend, en vier potige heren, die meer op buitenwippers leken dan op verpleegkundigen, stormden binnen en namen het tafereel in ogenschouw. ‘Eindelijk!’ sprak de stagiair die langzaam bij zijn positieven kwam, ‘de Haldol-spuit voor die dwazen! Platspuiten die smeerlappen!’
Meer aansporing hadden de vier niet nodig. Per twee namen ze Heidegger en Wittgenstein onder handen, die deze keer op vier cc per persoon getracteerd werden.
‘Pas op voor de Nervus Ischiadicus’, sprak de stagiair die zich de rol van leider op een megalomane manier probeerde toe te eigenen.
‘Rustig aan, onderdeurtje, het komt wel goed’ sprak de verpleegkundige die net Wittgenstein een injectie had toegediend.
‘En nerveus zijn we al helemaal niet’ vulde een van zijn collega’s aan.
‘Wat jullie betreft’ siste de onvriendelijke stagiair, wijzend naar ons heroïsche duo , ‘Ik laat me niet belachelijk maken door twee klootzakken, ook al zijn het de twee grootste denkers van de twintigste eeuw. We zijn ondertussen in de eenentwingste eeuw beland, en jullie stellen wat mij betreft niets meer voor. Ik heb meer respect voor Oost-Europese pooiers dan voor jullie! Over een half uurtje vertrekken jullie per ambulance naar het psychiatrisch ziekenhuis. Daar zullen ze jullie dergelijke streken wel afleren.’
Wittgenstein keek de puistenkop recht in de ogen en sprak: ‘Hoor mijn woorden, rosse lelijkaard. Gedane zaken nemen geen keer maar boontje komt om zijn loontje. Geen wijze woorden, maar woorden van het volk. Woorden die jij misschien begrijpt met je erwtenverstand. Nu dan, ik zal me niet verzetten tegen wat je met ons van plan bent, hoewel ik van oordeel ben dat jouw intenties doorgrond zijn van boosaardigheid en gif. We zijn machteloos, ook al door die spuit die je ons hebt laten toedienen. Láten toedienen, benadruk ik, jij lafhartig excuus voor een mens. Enkel door de gebeurtenissen en het leed dat jij veroorzaakt, te ondergaan, kunnen we ons onafhankelijk maken van deze situatie, en ze dus, op onze manier, beheersen.’
De vier kerels keken mekaar aan en lachten. De stagiair zei smalend: ‘ Uitgerangeerd en de chroniciteit in. Dat is jullie lot. Ik hoop dat jullie de volgende maanden vaak aan me denken als jullie vastgebonden in een isoleercel, in jullie broek pissen van ellende.’
‘Ellende zal jouw deel zijn wanneer we elkaar opnieuw ontmoeten. Jouw beeltenis staat op mijn netvlies gebrand!’ zei Heidegger, net voor de spuit begon in te werken en hij het bewustzijn verloor. Wat later reden Heidegger en Wittgenstein, beide stevig vastgesnoerd op een brancard door de gietijzeren poort van het, volledig door tralies ommuurde, terrein van het psychiatrisch gesticht ‘Christus’ Kruis’
De ambulance reed langs een vijver waaraan een bankje stond. Op dit bankje waren een paar twijfelachtige heerschappen bezig met een schimmige transactie. Een heer met een kapiteinspet op zijn boeventronie stond in de vijver te zeiken. Kwijl liep daarbij van zijn mond, over zijn kin op zijn sjofele schoenen.
De rit ging vervolgens langs een kerkje en ten slotte stopte de ambulance voor een laag gebouw. Achter de ramen brandde een neon licht.
Nadat er door een van de ambulanciers was aangebeld ging de deur open.
In de deuropening verscheen een bebaard individu met groot voorhoofd. Hij veegde een wit poeder, dat nog aan een van zijn neusgaten hing, weg met een bebloede zakdoek.
‘De heren Heidegger en Wittgenstein?’ zei hij op vriendelijke toon, ‘Mijn naam is Dr. Freud. Sigmund Freud. Welkom op de afdeling voor de gevaarlijke abnormalen en gedragsgestoorden.’
Wat later zaten onze vrienden met dr.Freud aan een tafeltje in een ruimte die door de verpleegkundigen het voorportaal genoemd werd. Er waren een aantal eigenaardigheden op te merken. Zo waren de poten van de tafel vastgeschroefd aan de vloer en was er met de stoelpoten het zelfde gebeurd. Tevens stonden de stoelen van Heidegger en Wittgenstein, dit in tegenstelling tot de stoel van dr. Freud, zodanig dicht tegen de tafel, dat Heidegger er maar met moeite tussen geperst geraakte.
‘Kunnen jullie mij vertellen waarom jullie hier zijn?’ vroeg de dokter hen.
‘Ik denk’ sprak Wittgenstein na een korte stilte, ‘dat dat wat gezegd kan worden helder moet worden gezegd en dat we moeten zwijgen over datgeen waarover wij niet spreken kunnen.’
‘Juist, ja.’ antwoordde de dokter, waarop hij zich half omdraaide naar een van zusters, een erg mooi gevormd exemplaar dat tot dat moment verveeld voor zich uit had zitten staren.
‘Zuster Stefania?’
Het wicht knikte en kreeg zowaar een blos.
‘Wat denk jij dat er moet gebeuren?’
De verpleegster had deze vraag niet zien aankomen en stotterde ‘ Euh, euh, spuiten en vastbinden, want het zijn gevaarlijke kerels.’
Dr. Freud keerde zich terug naar Heidegger en Wittgenstein. ‘Dat lijkt me logisch, niet?’
‘ Hier wordt met termen gesmeten dat het niet meer mooi is.’ zuchtte Wittgenstein, ‘Allereerst vraagt u aan Zuster Stefania haar gedacht over wat er met ons dient te geschieden. Om te beginnen zijn gedachten zinvolle zinnen. Het logische beeld van een feit.’
‘Ho maar,’ zei dr. Freud, ‘met zulk een breedsprakerigheid zal je er niet geraken, mijn narcistische vriend.’
Wittgenstein gaf Heidegger een stomp met de elleboog. ‘ Zeg toch ook eens iets! Het is door jouw mislukte bloedafname dat we hier zitten.’
‘Ik geloof dat de dokter hier op dit moment geen behoefte heeft aan een betoog over de deconstructie van bepaalde filosofische begrippen of van de ontologische differentie. Ik kan alleen zeggen dat ik hoop dat deze trieste situatie snel voorbij is. En hiermee bedoel ik dus met andere woorden dit tijdelijke probleem. We kunnen immers enkel spreken over ‘het zijn’ voor zover dit verschijnt en begrepen wordt binnen de grenzen van de tijdelijkheid. Waarden op een tijdscontinuum, als het ware.’ zei Heidegger ter zijner verdediging.
‘Van het zelfde laken een broek!’ sneerde dr. Freud.
Ondertussen waren er nog zes verpleegkundigen in het voorportaal verschenen en werden twee isoleercellen klaargemaakt.
Wittgenstein vreesde dat de caramel nu niet zo’n fraai beeld meer van hem zou hebben. Het was nochtans goed begonnen. Een schitterende dag met een azuurblauwe zee. Interessante hypothesen waarover zwaar kon gediscussieerd worden op niveau. En nu dit. Nu stond hij op het punt vastgebonden te worden op orders van een snullige psychiater die filosofie met narcisme verwarde. Tranen sprongen in zijn ogen en hij mompelde: ‘Een geluk dat mijn moeder dat niet meer hoeft mee te maken. Het arme mens.’
Dr. Freud spitste zijn oren en sprak iedereen in het voorportaal toe, als een doorwinterde vakbondsleider die de geur van een naderende staking had opgesnoven. ‘ Horen jullie dat? Het klassieke verhaal van een castrerende moeder en het typisch externaliseren van de gewetenloze abnormale!’
‘Breek me mijn bek niet open over het geweten, stelletje snotapen! Uren heb ik over dat begrip nagedacht en hier wordt het gebruikt alsof het een bak tomaten betreft! En dat allemaal zonder een seconde na te denken’, brulde Heidegger, die zich van tussen de stoel en de tafel trachtte te murwen. Drie verplegers stortten zich op hem. Wittgenstein kon deze gang van zaken niet met lede ogen aanzien en wou op zijn beurt rechtstaan om hier en daar een ferme oorvijg te verkopen, hoewel dat niet in zijn aard lag. Maar elke mens heeft zijn grenzen, en zo ook de immer minzame Wittgenstein. Hoeveel spuiten er in zijn kont werden geledigd wist hij niet, maar dat het er een heleboel waren, dat stond als een paal boven water. Hij werd de isoleercel binnengedragen en vastgegespt aan de houten beddenbak. Hij hoorde dat hetzelfde gebeurde met zijn vriend en hoorde diens woorden echoën in de verte: ‘Laat me alsjeblieft mijn uurwerk behouden.’
Dan volgde het donkere niets. Er kwam geen kik meer uit de twee naast elkaar gelegen isoleercellen. Christus had dit pand nog nooit bezocht, laat staan zijn kruis.


Hoodstuk 3

Heidegger en Wittgenstein zaten in de leefruimte. Ze hadden hun isoleercelplunje geruild voor hun eigen kleren. Zeven weken hadden ze doorgebracht in afzondering. Menigeen zou er gek van geworden zijn, maar niet Heidegger en Wittgenstein. Ze hadden de tijd gebruikt om na te denken. Bezoek hadden ze niet mogen ontvangen ofschoon de chocomousse en de caramel geregeld aan de deur hadden gestaan met de vraag of ze gedag mochten zeggen en hen sterkte toewensen. De strenge dr. Freud had dit niet toegestaan wegens ‘te gevaarlijk’. Dat had een medepatiënt hen verteld. Ook had die erbij vermeld dat het verpleegkundig personeel zeer onaardig was geweest tegen de meisjes en hen had uitgescholden voor ‘buitenlandse hoeren’. In hoeverre dit verhaal klopte, wisten ze niet, want er werd wat afgefantaseerd op de afdeling. Hun informatiebron, bijvoorbeeld, die vertelde hen ook dat zowel de chocomousse, als de caramel op een wit paard met vleugels gearriveerd waren, beiden poedelnaakt en draagster van een tiental borsten waaruit een groenachtige substantie sijpelde. Of het paard ook een hoorn droeg op zijn voorhoofd wist hun informatiebron, die luisterde naar de naam Simpele Sus, niet te zeggen. Maar wat niet is kan nog komen, had hij beweerd.
‘Wat niet is, kan nog, komen, zei hij’, zuchtte Wittgenstein.
‘Daar heeft hij gelijk in. Maar wat dat vliegend paard betreft, dat lijkt me een sterk verhaal’, zei Heidegger. ‘Dat zou betekenen dat er een evolutionaire storm heeft geraasd buiten, terwijl wij vastgebonden waren. Stel je voor dat er zo een gebeurtenis plaatsvindt en dat wij die missen, omdat we geen venster in onze cel hebben. Een cel waarin we zijn beland, omdat we gek verklaard zijn.’
Wittgenstein leunde achterover in zijn stoel. ‘Ik probeer het me voor te stellen. Er waait een evolutionaire storm buiten, en wij zitten binnen, gek verklaard. En wij horen die storm niet of merken geen tocht uit de kieren?’ ‘Nee.’ Antwoordde Heidegger, ‘Binnen is binnen en buiten is buiten. Die grens moet duidelijk zijn.’
‘Jamaar,’ zei Wittgenstein, ‘Simpele Sus, die heeft toelating om buiten te gaan, dus voor hem is die grens heel arbitrair.’
‘Dat is juist, maar bedenk dat Simpele Sus mogelijk helemaal niet vatbaar is voor evolutie. Dit indachtig zou hij weinig gevolgen dragen van zulk een natuurverschijnsel.’
Een kale verpleger in een wit uniform kwam aan hun tafel staan en vroeg waarover het gesprek ging. ‘Je weet wel. Gewone zaken.’ antwoordde Heidegger.
‘Nee, ik weet het niet. Daarom vraag ik het. Of denken jullie dat ik helderziend ben, dat ik jullie gedachten kan lezen, of zo?’
‘Nee, hoor. Dat zou te gek voor woorden zijn.’
‘Wel stelletje koekoeksklokken, kijk eens rond. Vergeet niet waar je hier zit. In een gekkenhuis. Zolang jullie niet inzien dat jullie ziek zijn is er ook geen kans op beterschap.’
‘Wat een onzin.’ antwoordde Heidegger. ‘Jij haalt de logica van oorzaak en gevolg helemaal door elkaar. Als ik jouw redenering volg dan zou dat betekenen dat iedereen die ooit gebaat is geweest bij een behandeling, ook beseft heeft, en dit voor de behandeling werd opgestart, dat hij ziek was. Ik kan je wel vertellen dat als er een bloempot op je kop valt, en je door de wonderen van reanimatie toch weer naar het rijk van de levenden wordt getrokken, door welke medische techniek dan ook, dat je niet de hele tijd hebt stilgestaan bij de vraag of je nu een behandeling nodig had of niet. En volgens jouw gevolgtrekking zou een comateus persoon nooit kunnen behandeld worden, omdat hij er, in zijn coma, niet aan dacht dat hij in een reversibele coma lag. Tss. Niet goed bezig.’
‘Nee, jij bent niet goed bezig! Nog één woord en je kan weer een maand of zo gaan brommen in de cel! Hoor je dat?’
Natuurlijk hoorde Heidegger dat, en dit wegens zijn gehoorvermogen, en het ontbreken van enige vorm van doofheid. Maar hij zweeg. Hij zat liever in de leefruimte wat te keuvelen met zijn vriend over evolutionaire stormen dan vastgebonden te liggen op een bed. Dus keek Heidegger naar zijn voeten. Allebei.
‘Hoor je dat?’ herhaalde de verpleger.
Ja, ik ken dat, dacht Heidegger. Nu probeert hij me uit mijn hok te lokken om toch te antwoorden. En als ik dat doe, vlieg ik de cel in. Dat ligt er vingerdik op.
Wittgenstein had door met welk een dilemma zijn vriend kampte en besloot om stoorzender te spelen. ‘Ik...kan...me...niet...bewegen’, zei hij, pogend om zijn mond zo weinig mogelijk te bewegen en stil te zitten.
‘Ja, dat komt er van als je een hysterische katatone schizofreen bent met narcistische persoonlijkheidskenmerken.’
‘Ik...kan...niet...meer...ademen.’
De verpleegkundige keek rond zich heen, en niemand had iets in de gaten. Hij besliste om rechtsomkeer te maken en de situatie te laten voor wat ze was. Met gekken kon hij niet opschieten.
Wittgenstein knipoogde naar Heidegger. Beide mannen moesten even lachen met de absurditeit van de hele situatie. Een kerel, Jacky genaamd kwam bij hen aan tafel zitten.
‘Sst. We worden gevolgd.’ zei Jacky, terwijl die schichtig om zich heen keek.
Heidegger vroeg ‘Wie volgt ons?’
‘Wat een vraag. De mannen met de salamanderhuid, natuurlijk.’
‘Hoe weet je dat het mannen met een salamanderhuid zijn en niet gewoonweg hele grote salamanders die zich menselijk gedragen?’ vroeg Wittgenstein. ‘Een evolutionaire storm indachtig...’
Jacky deinsde achteruit en onderbrak Wittgenstein. ‘Jullie weten er meer van! Jullie zitten mee in het complot!’
‘De compote?’ vroeg Heidegger die Jacky niet goed verstaan had, ‘Wat heeft appelmoes te maken met mensachtige salamanders? En daarbij, wat zouden wij in die compote zitten te doen? Ik zou, om te beginnen al niet weten hoe me te gedragen.’
Jacky greep naar Heidegger's keel en begon hem te wurgen. Wittgenstein trok aan Jacky's haar zodat deze zijn vriend moest loslaten. Daarna trakteerde hij de dolgedraaide Jacky nog op een trap in zijn kruis.
‘Schop er op los!’ riep Heidegger hijgend.
De mannen in het wit kwamen plots aangestormd, spuiten in aanslag. Het hele tafereel leek zich in slow-motion af te spelen. Wittgenstein hoopte dat ze hem in zijn linkerbil zouden spuiten. De rechter deed pijn van de vorige pikuur en was zo hard als een plank. Wittgenstein moest even denken aan de Plank van Jan Haring, zijn favoriet Jommekesalbum.


Hoofdstuk 4

Terwijl onze twee helden wegzakten in een diepe, dromeloze slaap, wandelde dokter Freud terug naar de artsenkamer. Hij ging achter zijn bureau zitten en ordende de papieren die voor hem lagen. Hij dacht bij zichzelf dat die zuster Stefanie toch wel een erg lekker ding was. Vervolgens stelde hij tevreden vast dat hij elke keer opnieuw bewijzen vond van de juistheid van zijn hypothese dat de seksuele drift de stuwende kracht achter alle dingen is.
‘Die klote-ouders van mijn verloofde ook, die willen dat ik eerst vijf jaar werk, geld verdien en beroemd wordt voordat ik met haar trouwen mag. En dan nog verwachten dat ik die tijd in abstinentie door zal brengen.’ Freud schudde zijn hoofd en keek naar buiten. Vanuit zijn kamer had hij uitzicht op een mosgroen grasveld met daarop een enorme boom die kaarsrecht, vrijwel zonder zijtakken, de hemel in wees. Ter hoogte van de wortels stond aan weerszijden een mooi convex gevormde rodondendronstruik. Freud krabte langdurig aan zijn scrotum en vroeg zich af hoeveel geld hij zuster Stefanie zou moeten bieden om haar over te halen eens flink met hem te shaggen. Het was mooi en treurig tegelijk dat iemand, die toch zo helder de seksualiteit als drijvende kracht herkend had en de impact ervan op het leven begreep, de keuze maakte om op een afdeling met krankzinningen rond te lopen. Het blokkeren van die kracht leidde tot allerlei frustraties en stoornissen, dat mocht hij dagelijks ervaren, en toch leefde hij zich niet uit maar steunde hij hen die slachtoffer van een tekort geworden waren, daarmee zelf ook zijn geestelijke gezondheid riskerend. Maar zover was het nog niet, en zover zou het niet komen als het aan dokter Freud lag.
In de hoek van de kamer hing aan het plafond een kooi met twee parkieten, Super en Ego genaamd. Dokter Freud had aanvankelijk wat problemen gehad met de directie, maar was er uiteindelijk mee weggekomen. Wel had hij moeten beloven de frigiede dochter van de voorzitter van de Raad van Bestuur eens flink te analyseren. Op het moment dat Super aanstalten maakte om Ego te bestijgen, werd er op de deur geklopt.
‘Binnen.’ riep de dokter, waarop de deur openging en zuster Stefanie verscheen. ‘Er zijn hier twee dames die met u willen spreken, dokter,’ zei ze, en ze deed een pas opzij om plaats te maken voor twee bevallige dames die zonder aarzelen de kamer binnenschreden.
‘Wat kan ik voor jullie betekenen?’ vroeg Freud aan hen.
‘Wij zijn Caramel en Chocomousse en wij komen informeren hoe het met onze lieven gaat.’
Het duurde even voordat Freud de link had gelegd tussen de filosofen in de isolatiekamer en deze lieftallige schepseltjes.
‘Als ik vragen mag, wat moeten twee mooie dames als jullie zelf met die twee heerschappen?’
‘Dat is heel eenvoudig,’ sprak de Chocomousse, ‘Het zit namelijk zo...’
‘Nee, niet zeggen’, viel de ander haar plots enthousiast in de rede, hij moet raden wat er met ons aan de hand is.’ Vervolgens keerde ze zich tot Freud en vroeg: ‘Heeft u toevallig de film ‘Deep Throat’ gezien?’
‘Is dat niet die film over een vrouw die een congenitaal defect heeft waardoor haar clitoris in haar keel terecht is gekomen?’ vroeg Freud, zichtbaar geïnteresseerd.
‘Inderdaad,’ zeiden de dames in koor.
‘Wij hebben iets vergelijkbaars,’ sprak Caramel, ‘We hebben elkaar ontmoet in de patientenvereniging van Mensen met Exclusief Auditieve Orgasmen.’ Toen ze de vragende blik van Freud zag, vervolgde ze: ‘Dat is een aangeboren afwijking waarbij de clitoris naar binnen is geslagen en via de buikholte en de borstkas in contact staat met een verlengde buis van Eustachius en op die manier met het middenoor. Bij trillingen van de gehoorbeentjes vindt dan een rechtstreekse prikkeling van de clitoris plaats. Bij de meeste mensen met deze aandoening treedt snel een ongevoeligheid op voor dagdagelijkse conversatie. Maar elke vrouw die hieraan lijdt houdt een gevoeligheid voor bepaalde verbale klanken. Dat kan een exotische taal zijn, een bepaald onderwerp, noem maar op. En nu wil het toeval dat Chocomousse en ik een speciale variant hebben waarbij de clitorale prikkeling meer intens is naarmate de inhoud van het gehoorde meer filosofisch is.’
‘En zo kwamen jullie bij die Heidegger en Wittgenstein terecht!’ sprak Freud, voor wie opeens alle stukjes van de puzzel op hun plaats vielen.
De twee vrouwen knikten hem bevestigend toe, tevreden dat ze een luisteraar hadden gevonden die de diepere achtergrond van hun medische stoornis begreep.
‘Dan is het nu tijd dat ik jullie iets ga vertellen over mijn nieuwste boek, 'Triebe und Triebschicksahle' geheten’ zei Freud haastig. Zonder te pauzeren ging hij verder: ‘In dit boek beschrijf ik hoe de mens gestuurd wordt door driften die continu naar bevrediging streven. In de zuigelingentijd hebben deze driften een nog niet volwaardig karakter. Ik ben geneigd om van oraal of anaal georienteerde episoden te spreken, maar na een goed doorlopen Oedipaal conflict komt het Libido tot ontwikkeling als stuwende kracht die zich in het seksuele maar ook meer algemeen in het sociaal contact manifesteerd. De tegenhanger is de doodsdrift of Thanatos, die...’
De vrouwen knikten meewarig. ‘Denkt u, mijn waarde dokter, dat wij imbecielen zijn?’ vroeg de Cararamel,‘Gelooft u nu echt dat wij seksueel opgewonden zouden geraken van uw pseudo-filosofisch gezwets?’
‘Integendeel’ vulde de Chocomousse aan. ‘Bovendien bent u hier deontologisch uw boekje te buiten gegaan. Schaamteloos hebt u gepoogd de vriendinnen van twee patiënten seksueel te benaderen. Ik ben benieuwd hoe de Raad van Bestuur van dit gekkenhuis zal reageren wanneer onze schriftelijke klacht arriveert.’
‘Dames, dames. Het was een onschuldig experimentje.’
De Caramel veerde recht: ‘Nu moet u eens goed luisteren naar mij, dokter. U weet zo goed als ik dat Heidegger en Wittgenstein de grootste filosofen van de twintigste eeuw zijn. U behandelt hen hier als randdebielen. Ze zijn misschien wat excentriek, maar geenzins gek. Ik eis dat u ze vrij laat, en wel op staande voet. Zoniet zal de directie heden nog onze klacht ontvangen.’
‘En dan gaan we u nog castreren ook!’ brieste de Chocomousse.
‘Nee, genade! Aan castrerende vrouwen heb ik een broertje dood.’ jammerde de duidelijk aangeslagen dokter.
‘Vertel op. En geen geintjes!’
Geëmotioneerd vertelde de dokter dat zijn klein broertje Sindbad, op twaalfjarige leeftijd gecastreerd werd na een uit de hand gelopen circumcisie-feestje. Het was zelfs Sindbad’s feestje niet. Die was al besneden, vele jaren geleden.
‘Je weet hoe dat gaat bij die besnijdenissen. Iedereen drinkt daar genoeg en de gemoederen raken verhit. Voor iemand het goed besefte, was de rabbi vervangen door één of ander dronken en hysterisch wijf die mijn broer had vastgebonden op een altaar. Ik denk dat alle aanwezigen geloofden dat het een onderdeel was van de show, maar dat wijf bleek gek te zijn.’
Freud veegde met de rug van zijn hand de tranen van zijn gezicht. ‘Onze Sindbad zijn spel was er af voor we konden ingrijpen.’
‘Arme man.’ sprak de Chocomousse troostend, ‘Het spijt me dat ik gedreigd heb met castratie. Ik wist niet dat dat onderwerp zo gevoelig lag bij u.’
‘En we zullen die aanklacht ook laten vallen, op voorwaarde dat je ons vertelt wat je van plan bent met Heidegger en Wittegenstein.’
De dokter haalde opgelucht adem. Wat een geluk dat die vrouwen zijn verhaal geloofden. Hij vreesde dat ze hem door zouden hebben, toen hij de naam van zijn zogezegde broer had genoemd. Had hij echt niets beter kunnen verzinnen dan Sindbad? Hij legde zich in zijn eigen sofa en begon te vertellen.
‘Jullie komen hier met vragen aankloppen, en terecht. Ikzelf ben de enige van dit Instituut, die goed en wel doorheeft welk een knappe koppen er in de isoleercellen verblijven. Ik ben al sinds kindsbeen fan van hun boeken. Mijn moeder las me voor uit de ‘Tractatus Logico-Philosoficus’.
De Caramel kreunde lichtjes en kantelde haar bekken genuanceerd naar achter.
Dokter Freud besloot om maar snel over iets anders te beginnen, want hij wou niet opnieuw over zijn geïmagineerde broer Sindbad beginnen om tuchtklachten te voorkomen. ‘Enfin,’ zei hij, ‘Wittgenstein is een genie, en Heidegger kan genialiteit veinzen zoals geen ander. Daarom beschouw ik hem ook als een genie. Ik kijk er al lang naar uit om hen te ontmoeten. Via hun management ving ik altijd bot. Toen ik via een stagiair in het ziekenhuis, waar zij aanvankelijk waren opgenomen, hoorde dat er mogelijk sprake was van een psychiatrische problematiek, heb ik kunnen regelen dat ze deze kant uitkwamen. Toen ze hier arriveerden, heb ik gepanikeerd. En een dokter die panikeert en net een gram coke zijn neusgaten heeft ingezogen, die deelt spuiten uit. En nu vrees ik dat het kwaad al geschied is. Ze zullen me nooit respecteren.’
‘Waarom is het voor u zo belangrijk dat zij u respecteren?’ vroeg de Chocomousse.
‘Ach. Mijn toekomstige schoonouders vinden me maar een leegloper van een verpauperde familie. Ik moet me, volgens hen, nog bewijzen. Echt een kutmentaliteit hebben die klootzakken. Daarom heb ik het plan opgevat om een groots onderzoek te leiden, geflankeerd door de grootste denkers van deze tijd. Ten eerste omdat zij me zouden aansporen om beter en harder na te denken, en ten tweede omdat het bijzonder hip en trendy is als je kan poneren dat de grote denkers Heidegger en Wittgenstein deel uitmaken van je multidisciplinair onderzoekersteam. Daarenboven zou ik een onderzoek leiden naar één der laatste taboes. Als kroon op het werk zou ik dan ook nog een efficiënte behandeling willen vinden. U ziet, een majestueus plan met buitengewone proporties.’
De Chocomousse en de Caramel keken mekaar aan, duidelijk geïntrigeerd door wat de dokter hen net had medegedeeld.
‘Over welk taboe hebt u het, dokter?’ vroeg de Caramel.
Dokter Freud stond recht vanuit zijn sofa en ging voor het raam staan, waardoor hij, op bijzonder theatrale wijze, begon te turen, met beide handen achter zijn rug. ‘Ik heb het over de antropofagie. Over hen die hun medemens opeten.’
De Chocomousse en de Caramel schrokken zichtbaar.
‘Dokter, hebt u het over...’
‘Kannibalen.’ sprak Freud.
Donkere onweerswolken gleden voor de zon en de kamer werd gehuld in een dreigende duisternis. Het getsjilp van Super en Ego hield ook op. Dokter Freud keek naar de kooi en zag dat beide vogeltjes levensloos op de bodem van de kooi lagen.


Hoofdstuk 5

Heidegger en Wittgenstein konden hun oren amper geloven toen een dolenthousiaste Freud hen in zijn kantoor sommeerde en hen volledig bij hun zinnen verklaarde.
'Bij onze zinnen?' riposteerde een krankzinnig klinkende Wittgenstein, 'Opgesloten in een gekkenhuis, gedrogeerd, platgespoten, en vooral niet au sérieux genomen! En net wanneer een mens begint te denken dat hij vangt, krijgt hij te horen dat alles in orde is met die zinnen! Ongehoord, noem ik het!'
Heidegger knikte en zei: 'Ja.'
Freud had zulk een verbaal agressief geweld niet verwacht en werd zenuwachtig. 'Luister' zei hij, 'Bij deze zijn jullie niet gek verklaard. Prijs jullie gelukkig want dat gebeurt niet veel in mijn kliniek. Dat is zelfs een dubbel unicum!'
Heidegger bekeek de lege vogelkooi. Hij vond het een bizar gegeven, zo een lege kooi. Hing die daar om bepaalde zaken erbuiten te houden? Of zaten er minuscule entiteiten in, die de grenzen van de kooi respecteerden, en zo de balans van de kosmos in stand hielden?
Freud zag hoezeer Heidegger zich aan het verdiepen was in het enigma van de lege kooi. 'Ze zijn dood, mijn vogeltjes.' zei Freud.
Heidegger keek Freud een beetje wazig aan. 'Vogels zijn ook entiteiten.' prevelde hij.
Wittgenstein merkte dat er een bizarre sfeer heerste in het kantoor en zei 'Ik heb ook ooit een joekel van een vogel gehad, en toen vergat ik hem zaad te geven en daarna is hij gestorven! Ik heb het met opzet vergeten!'
Heidegger fronste even en vroeg 'Heb jij ooit een vogel gehad? Ik wist van een konijn, een schildpad, een cavia, en een geit. Over een vogel heb je me nooit wat verteld!'
'Die vogel, dat is een apart verhaal. Ik kocht hem toen hij net uit het ei was. Een kanarie was het niet. Te weinig kleuren. Misschien een soort hybride duivensoort? Ik wist het niet.'
'Waar heb je die vogel gekocht?' vroeg Heidegger.
'Bij de Chinees, je weet wel, die kerel met zijn oeverloos lange dunne snor die exotische dieren verkoopt.'
'Bij Ping de Chinees?'
'Ja, dat is het, Ping de Chinees.'
'Ik dacht dat Ping uit Viëtnam kwam.' zei Heidegger.
'Dat is mogelijk. Hij had een wat vale huidskleur en sprak met een tongval.'
Freud kwam tussenbeide. 'Ik ken die winkel. Ik kocht er een geheimzinnige steen, dat is wel geen exotisch dier, maar toch!'
'Weet jij zijn achternaam, dokter?' vroeg Heidegger. 'Dat geeft ons mogelijk een aanknopingspunt aangaande zijn mysterieuze nationaliteit.'
'Ja, ik herinner me zijn naam.' sprak Freud. ' Het was Pong!'
De mannen zwegen. Freud had gelijk. Er heerste een ongemakkelijke stilte nu. De familienaam van Ping, namelijk Pong, deed bij de mannen nare herinneringen naar boven komen.
Wittgenstein sprak met gebroken stem. 'Het lieflijk vogeltje dat ik besteld had, bleek een gedrochtelijke vleesetende gier! Bijna at hij mijn hele familie op. Een verschrikkelijk trauma, al zeg ik het zelf.'
Heidegger kneep zijn kameraad even in de arm, als teken van empathie en zei: 'Ik heb daar ooit een vlooiencircus gekocht. Die vermaledijde Ping gooide er zomaar gratis een mini-tentje bij. Mooi was dat. Blauw met oranje strepen.Op een nacht is er een opstand uitgebroken, en hebben die vlooien mijne poes opgegeten. Onze Minou. Tot op het bot. Daarna zijn ze verdwenen, als dieven in de nacht. Ze hebben zelfs de tent opgebroken en meegenomen, de snoodaards!'
Freud opende de lade van zijn bureau en nam de steen van Ping eruit. 'Vrienden filosofen, sinds ik deze steen heb, droom ik elke nacht over antropofagen! Telkens de zon ondergaat en ik me te ruste leg, lever ik in mijn nachtmerries strijd met horden kannibalen! Dat kan toch geen toeval zijn! Het lot heeft ons bij elkaar gebracht! Wat vinden jullie er zelf van?'
'Je zou gek moeten zijn om te denken dat dit alles toeval kan zijn.' antwoordde Wittgenstein.' Heidegger trok lijkbleek weg en fluisterde: 'Onze Minou zal gewroken worden, zoals een kat nimmer werd gewroken.'


 

 

 

 

 


© Ebiorix