|
|
De ijzige profeet
Gérard De Fré
'Wie heeft die kerk voor mij gebouwd?' brulde de ijzige profeet.
De twee eekhoorntjes bekeken mekaar en wezen in elkaars richting.
'Wie was het?'
De eekhoorntjes wezen nu beide naar de zieke mus die in het gras lag.
'Weer die mus!' riep de profeet, 'Laten we op onze knieën bidden dat ze nog
zieker wordt!'
De eekhoorntjes zetten zich op de knietjes en begonnen mee met de profeet te
bidden. Dat was de laatste keer geweest, dat ze om de profeet te verrassen
een monumentale gouden kerk hadden gebouwd.
De stoel verschoof zich en keek door het vuile raam.
'Het raam is vuil.' zei hij.
De kleerkast deed of ze hem niet hoorde.
'Altijd hetzelfde met die verwende stoel. Klagen en zagen, maar zelf geen
poot uitsteken.' dacht ze.
Het was alsof de stoel de gedachten van de kleerkast kon lezen want hij riep
verontwaardigd: 'Hoe zou ik nu een poot kunnen uitsteken? Als ik dat doe,
verlies ik mijn evenwichtigheid en als op dat moment de ijzige profeet op
mij komt zitten, ben ik de pineut.'
'De pineut. Zijn dat nu woorden die een stoel gebruikt?' dacht de kleerkast.
'Ja! Dat is een perfect woord! Jij arrogant stuk pretentie!' raasde de
stoel.
'IS DAT DAAR GEDAAN MET DAT LAWAAI BOVEN?!' brulde de ijzige profeet.
Toen werd het stil.
De moeder stopte het vermoeide kind onder.
'Mama, vertel nog een verhaaltje.' smeekte de kleine.
'Er was eens Repelsteentje...'
'Nee, mama. Ik wil het verhaal horen van de ijsprofeet.'
'Nee kleine, het is al laat, je moet nu slapengaan.
Een vleermuis vloog zich te pletter tegen het raam van de kinderkamer.
'Ik heb hem ooit ontmoet.' zuchtte de moeder.
'Hij keek in mijn ogen toen ik verdwaald was in het bos van verboden aanlokkingen. Ik kende je papa toen nog niet, weet je.'
'En hoe zag hij er uit?' vroeg de kleine nieuwsgierig.
'Dat weet ik niet meer, maar zijn priemende ogen doorboorden mijn toendertijd verwrongen geest.'
De kleine zweeg en trok zijn dekbedovertrek tot over zijn neus.
'Als ik je dat vertel, zal je drie dagen niet slapen en daarna nog meer willen weten.'
'Vertel het mij.' gebood de kleine.
En de moeder, ach ja hoe is een moeder, deed hem het verhaal van haar ontmoeting met de ijzige profeet.
En nu nog, zeven jaar later heeft de kleine niet meer geslapen.
Zeven lange jaren van angstige insomnia, vrezend dat de Ijzige zou komen en hem's nachts in de ogen zou kijken met zijn kille blik vol confronterende wijsheid.
De volle maan scheen door de dichte mist waardoor het bos in een spookachtige vaalheid baadde. De lycantroop liep als een razende tussen de dichte begroeiing, terwijl de adrenaline door zijn aders joeg. Het moment van de metamorfose ging zich voltrekken. Hij zou veranderen in een wolf en zich wentelen in het bloed van zijn half verslonden slachtoffers. Het kon elk moment gebeuren. Zijn gedachten waren niet meer helder en hij smachtte naar warm bloed. Zijn hele lichaam werd doorkliefd door stekende pijnen. Plots stopte hij. Hij stond oog in oog met een man gehuld in een zwarte pij. De kap verhulde het gezicht van deze geheimzinnige figuur, maar het leek alsof zijn ogen door de duisternis priemden.
De lycantroop lachtte en gromde. Zijn eerste slachtoffer van deze slachtnacht zou een mens zijn. Hij hield van mensenbloed.
'Jij bent op de verkeerde plaats, op het verkeerde tijdstip' gromde de lycantroop terwijl zijn ruggewervels begonnen te buigen en zijn oren spits groeiden. De vreemdeling zweeg en bleef als onverschillig staan. De lycantroop voelde hoe zijn lichaam veranderde. Edoch, het werd niet groter zoals gewoonlijk, maar nam zeer kleine properties aan. Zijn haar viel uit en enkele seconden later hoorde hij zichzelf piepen. Hij was niet in een weerwolf veranderd maar in een vreemdsoortig klein kaal ratje. De vreemdeling verpletterde het diertje onder zijn schoeisel.
Toen één van zijn apostelen enkele uren later vroeg hoe de nachtwandeling was verlopen, antwoordde de Ijzige Profeet dat er veel mist was, en dat men bij boswandelingen steeds dient uit te kijken voor klein ongedierte.
Het konijn zette zich aan tafel, klaar om een heerlijke biefstuk te verorberen. Konijnen waren verzot op biefstuk in de tijd dat de dieren nog spraken. De kat spinde al bij gedachte van enkele lekkere maden, terwijl de mus niet wist wat te verwachten. Dat het zou smaken, dat was zeker. Toen de Profeet met de borden met stolpen erop de eetzaal binnenschreed, was het enthousiasme van de dieren nog nauwelijks te stuiten. 'Hoera!' riep het konijn nerveus. De kat sprong op en neer van geluk. 'E-ten! E-ten! E-ten!'. Ook de mus deelde in de vreugde: 'Hon-ger! Hon-ger' Jaaaaa!'.
Zwijgend zette de Ijzige Profeet de borden op tafel. 'Hier is voor elk wat jullie toekomt' sprak hij, amper hoorbaar.
Het konijn lichtte de stolp op en verbaasde zich over wat er op het bord lag. Hij staarde naar een wortel. De kat zette zich schrap om een smulfestijn te beginnen toen er helemaal niks op het bord bleek te liggen, zelfs niet miezerige made.
De mus kreeg zelfs geen bord.
'Eenieder krijgt wat hij verdient.' zei de Profeet.
Het konijn wilde even vragen wat er gaande was maar één blik van de Profeet legde hem het zwijgen op. Met geveinsde motivatie begon hij kokhalzende van de wortel te bijten. De kat bekeek het lege bord. De mus was ondertussen op tafel gesprongen op zoek naar eten en was in het bord van de kat beland.
'Ziedaar uw maal' grijnsde de profeet.
De kat bekeek de mus met ontzetting.
'Maar, de mus is ziek' zei de kat,' dat is algemeen geweten.'
'En dat verandering van spijzen doet eten, dat is ook algemeen geweten!' bulderde de Ijzige Profeet, woedend.
Het konijn deed zijn uiterste best om te wortel niet uit te braken. De kat verkoos de hongerdood boven het eten van een ziek vriendje. En het musje dat was, naar goede gewoonte, flauwgevallen van emotionaliteit.
Maar het belangrijkste dat de Profeet had bewerkstelligd was duidelijk. Er werd eindelijk gezwegen aan tafel en er was rust.
|