www.ebiorix.be

 

 

 

De vlucht


Heen en terug

Door Ronny De Roover


Voorwoord

Wat u de volgende bladzijden zal lezen is fictie. Ronny De Roover bestaat helaas niet.

Ik ben slechts een hersenspinsel van mijn auteur, net als mijn broer, mijn beste vriend, mijn tweede beste vriend en de rest van het verhaal. Alle verwijzingen naar plaatsen, gebeurtenissen of personen zijn verzonnen en elke gelijkenis met een reële gebeurtenis of bestaand persoon berust op louter toeval. Het verhaal is opgebouwd rond enkele flarden uit mijn leven die één of andere invloed gehad hebben op het verdere verloop ervan. Ik heb gepoogd alles mooi chronologisch neer te schrijven en dat was niet altijd even gemakkelijk. Het tweede hoofdstuk loopt het eigenlijk al mis. Sommige passages zullen waarschijnlijk wat verward lijken en voor de gemiddelde lezer misschien wel moeilijk te volgen zijn, maar wees niet bang, alles komt wel goed eenmaal je de rode draak in het verhaal hebt gevonden.

De verwarde woont naast het genie.

Je zal merken dat het verhaal grotendeels in de ik-vorm werd geschreven. Dit betekent echter geenszins dat het een autobiografisch werk betreft. Vermits ik niet besta lijkt het mij duidelijk dat dit niet mogelijk is. Daarnaast wordt het verhaal zo veel mogelijk onpersoonlijk gehouden en worden er slechts zeer sporadisch namen van andere personen genoemd. Dat is voornamelijk om niemand voor het hoofd te stoten of in de problemen te brengen, je weet nooit wie dit verhaal te lezen zal krijgen. Je zal evenmin ellenlange dialogen voorgeschoteld krijgen, anders wordt het al gauw een kletspraatroman en dat is niet de bedoeling. In bepaalde gevallen was dit echter om verhaaltechnische redenen onmogelijk en moest ik noodgedwongen aan voornoemde principes mijn welriekende voeten vegen. In dergelijke gevallen is, zoals reeds gezegd, elke gelijkenis met bestaande personen louter toevallig.

Onpersoonlijkheid is een vaak vergeten deugd.

Het verhaal is met de grootst mogelijke zorg geschreven. Ik bedoel hiermee niet dat er geen grammaticale of zelfs spellingsfouten zouden ingeslopen zijn, doch dat elke zin op de één of andere manier ‘zin’ heeft. Heel af en toe telt zelfs elk woord. Mocht je een woord of zin niet dadelijk begrijpen, lees het of hem dan een tweede keer. Desnoods lees je het hele verhaal maar opnieuw, ik ben ervan overtuigd dat een normaal begaafd persoon bij een eerste lezing verschillende zaken anders zal lezen dan bij een tweede.

Ze noemen me niet voor niets bescheiden Ronny.

Mij rest enkel nog je succes te wensen met enkele hopelijk aangename uren leesplezier. Bereid je maar al voor op een stevige, aan een overdosis grenzende portie sex, drugs, nazi’s en draken, want een gewaarschuwd man is er twee waard en met twee is het altijd gezelliger dan alleen.


Hoofdstuk 1

November 2001

Ze kwamen hard aan, de slagen. Een robuuste neger liet zijn krachtige mokerslagen op mijn tere gezicht neerspatten. Ik was de tel reeds kwijt en voelde dat ik dit niet lang meer zou volhouden. Eerst had ik nog gedacht dat het allemaal wel zou meevallen, maar stilaan begon ik te vrezen voor mijn leven. Een mooi leven tot nu toe.

Hoe het gevecht juist was begonnen, wist ik niet meer. Een gevecht kon je dit trouwens moeilijk noemen, voor een gevecht moet je namelijk met twee zijn. Dit was een afranseling. Ik was als verdoofd en blijkbaar niet bij machte enige weerstand te bieden. Zonder afweer kon geen mens dit lange tijd volhouden.
Deze neger was minstens een geoefend bokser, zoveel was zeker. Zijn spieren stonden strak gespannen en waren duidelijk het resultaat van enkele jaren doorgedreven gebruik van anabole steroïden. De immense bi- en triceps ontspanden zich telkens nadat een vuist een nieuwe bloedklonter had toegevoegd aan mijn tot zonet gave gelaat. Bloed vertroebelde langzamerhand mijn gezwollen ogen.
Ik had altijd gedacht dat mijn pijngrens een heel stuk hoger lag dan bij de gemiddelde twintiger. Gedachten zijn vrij. Je hoort wel eens van mensen die een dermate hoge pijngrens hebben dat ze eerder sterven dan pijn hebben, dat ze dood zijn voor ze iets voelen. Dat had me altijd al een mooi einde geleken en op dit moment zou ik hiervoor misschien wel getekend hebben, want mijn zogenaamd hoge pijngrens bleek nu een pijnlijk geval van zelfoverschatting te zijn geweest.
De pijn striemde door elk adertje van mijn gezicht en was niet meer te harden. Dit was niet meer menselijk. Hoewel ik me erover verbaasde dat ik zoveel van deze dode taal had onthouden van op de middelbare school, kwam het eind van mijn Latijn met rasse schreden dichterbij. In een flits zag ik hoe ik er uit zou zien na de revalidatie en dat was helaas geen mooi zicht, alleszins geen mooi gezicht. En dat was dan nog in het beste geval, want om te kunnen revalideren moest ik eerst nog leven. ‘Als ik dit maar overleef’, dacht ik, ‘áls’.
De neger was nu zo troebel dat hij nauwelijks nog zichtbaar was. Er restten slechts luttele seconden en mijn bewustzijn zou vervliegen. Ik zag enkel nog een vage grijze man. Rondom hem verschenen geelwitte sterren, als een lichtgevende tunnel in een donkerzwart gat. Ik vreesde dat dit het einde was en dat ik dra aan de hemelpoorten zou aankloppen, waar ze me onverbiddelijk zouden weigeren en zouden doorverwijzen naar die andere, minder paradijselijke poort.

Opeens schoot ik wakker. Een rilling van opluchting drong door mijn lichaam. Er was helemaal geen neger zijn uiterste best aan het doen om mij minstens één kopje kleiner te maken. Ik kreeg helemaal geen afranseling, althans niet één op leven en dood.

Door mijn slaperige ogen zag ik dat mijn vriendin zich volledig naakt van mij meester maakte. Als een wild paard dat getemd moest worden bereed ze mij. Haar handen waren de zweep, mijn gezicht het lijf van het paard. Haar vingers mepten zich diep in mijn gelaat, links, rechts, links, rechts. Haar hoofd bewoog mee op het ritme van de slagen. Haar golvende haren zwierden heen en weer. Haar welgevormde tieten stonden strak vooruit en bewogen bizar genoeg bijna niet, als tartten zij de zwaartekracht. Haar oogleden waren strak toegeknepen doordat ze helemaal opging in haar idee van een wilde sekspartij.
Vandaar de droom, dacht ik opeens. Geen wonder dat ik me het begin van het gevecht niet meer herinnerde, ik werd niet weerloos ineengeslagen door een gewelddadige zwarte medemens. Die neger had ik waarschijnlijk de dag voordien op de autostrade uitgescholden voor rotte vis omdat hij, zoals negers betaamd, op het allerlaatste moment toch besloot in te voegen.

Ik vond het een bizarre manier om te ontwaken op een druilerige, winters koude zaterdagochtend, maar ik kon me zonder moeite slechtere manieren indenken om het weekend mee te beginnen. Het kan verkeren, zei Bredero.
Dit was evenwel geen ordinaire billenklets meer, dit was spanking op zijn best. Meppen om te hebben, alsof ik werd gestraft. Mijn vriendin liet een mij onbekende, te lang opgekropte woede los en ik was haar boksbal. Met volle kracht kleurden haar handen mijn kaken stilaan donkerrood.
Tot voor kort had ik niet verwacht dat mijn vriendin voor een stevige portie mepseks zou openstaan, laat staan het uitproberen. Ofschoon sinds een jaar of twee de fut zwaar uit onze relatie was geraakt, had ik de laatste tijd wel gemerkt dat ze er ietwat bizarre seksfantasieën op na begon te houden. Ik had de laatste tijd echter wel meer gemerkt, maar had daar nooit lang bij stilgestaan. En nu was er geen tijd om te denken aan haar gsm die nooit opstond als ze thuis was of aan die mannelijke geur als ze zes keer in de week van de sportles kwam, de onophoudelijke meppen beletten dat.

Niet dat ik er niet van genoot, getuige mijn diep in haar op en neer bonkende lul. Ik stond open voor alles, zolang er maar geen dieren aan te pas kwamen. Dergelijke fantasieën had ik opgegeven toen een bevriend dokter in spe me een anekdote had verteld van een homoseksuele man die op de spoedafdeling was terechtgekomen met zware maag- en leverklachten. Op de röntgenfoto’s was net onder het hart van de man een zeven centimeter groot karkas te zien. Bleek dat de man en zijn vriend er niet beter op hadden gevonden dan via een buis een muis in zijn anus los te laten. Sommige mensen gaan ver in hun seksspelletjes. In het begin zal dat misschien een prettig gevoel hebben opgeleverd, doch de muis had zich door de endeldarm geknaagd en was, gelukkig voor hem, na de maag en de lever van de man te hebben beschadigd, net voor zijn hart gestikt.

Mijn vriendin genoot zichtbaar van zichzelf en mijn pijn kon haar schijnbaar niet deren. Aan de snellere opeenvolging van haar gehijg merkte ik dat ze stilaan haar climax bereikte. Ik voelde dat ze dra haar orgasme zou loslaten op de wereld. Niet op de hele wereld natuurlijk, maar toch op de helft van de straat waar we woonden. Het zou niet de eerste keer zijn dat de overburen zouden komen aanbellen met de vraag of er iets ernstigs was gebeurd en ik met handen en voeten zou mogen uitleggen dat ik mijn vriendin echt niet mishandelde.
Net voor ze zou klaarkomen en nog een laatste mep in mijn gezicht gaf, hield ik het niet meer en dropte mijn lading zaad diep in haar opengerokken kut. Eigenlijk was ik ietwat verbaasd dat ik überhaupt nog kón presteren, want de avond ervoor was een feestje bij een vriend redelijk uit de hand gelopen en dan kan ik wel eens een acute aanval van bloedarmoede in mijn onderste ledematen krijgen. Ik had het sperma even daarvoor voelen opborrelen en had nog een moment getwijfeld of ik nog een keer de moeite zou doen mij nog wat in te houden. Enkele weken tevoren had ik evenwel besloten dat ik niet meer zou wachten op het orgasme van mijn vriendin, ze zou dat ook niet doen mocht ze een man zijn. Wat komt zal komen was mijn nieuwe leuze. Ieder voor zich en de rest kan de pot op. Door het latente gebrek aan seks de laatste tijd, trok ik me trouwens meer ’s nachts naast haar af dan dat we mekaar bevredigden. Raar dat een slapende vrouw niets voelt als je hijgend klaarkomt op haar blote rug.

Mijn voortijdige ejaculatie was mijn vriendin zwaar in het verkeerde keelgat geschoten. Voor één keer niet letterlijk. Immens teleurgesteld over haar gemiste orgasme sloeg ze me opnieuw in het gezicht. Dit keer niet met de vlakke hand maar met haar volle vuist. Ik kreeg dadelijk een bloedneus en zette me recht. Ik voelde me lichtjes draaierig en moest ook wat bloed spuwen. Ze werd uitzinnig van woede omdat mijn rochel op haar daags tevoren gekochte bloesje was terechtgekomen.
Ze kon maar beter niet meer te lang in mijn buurt blijven. Normaal gezien ben ik een zeer vredelievend persoon, met bovendien een grote portie geduld, maar doe me pijn en je zal ook pijn voelen, wie, waar en met hoeveel je ook bent. Oog om oog, tand om tand. Misschien een wreed en ouderwets principe, maar je hoofd is wel onmiddellijk bevrijd van alle sluimerende wraakgevoelens die je enkel te lang zou opkroppen mocht je niet onmiddellijk reageren op dergelijke streek.
Mijn vriendin stapte uit bed, raapte snel wat spullen bijeen en vertrok. Ze kon het zich niet laten nog een laatste keer niet mijn gezicht maar de deur met volle kracht toe te slaan. Het kadertje dat naast de deur hing, met een in betere tijden getrokken foto van ons beide in, viel door de luchtverplaatsing van de muur en brak in ontelbare stukken. Het was een vaag voorteken.

De volgende dag besloten we uit elkaar te gaan. Kort en bondig. Na bijna vijf jaar had onze relatie geen zin meer. Zoals ik al zei was de fut er trouwens al een tijdje uit. Het kon me op dat ogenblik geen reet schelen. Kapot is kapot. Wat stuk is moet je vervangen. Over en uit.


Hoofdstuk 2

December 1999

We waren nu drie jaar samen, mijn vriendin en ik. Na laat te zijn opengebloeid, ik was eenentwintig toen ik voor de eerste keer met iemand in bed dook, en de jaren daarna met ontelbare losse fladders mijn achterstand te hebben goedgemaakt, was ik voor de eerste keer echt verliefd geworden. Ik veronderstel dat je je wel herinnert hoe dat voelde. Ik had haar ontmoet na het meest bizarre avontuur uit mijn leven tot dan toe.

Het was de eerste aangenaam zonnige winterdag van het jaar. Het was maanden grijs en nat geweest. Op weg naar de universiteit kwam ik aan de tramhalte een vriend tegen die ik al een hele poos niet meer had gezien. We hadden niet veel woorden nodig, we zagen aan mekaars blikken dat we die dag niet veel schoolbanken zouden zien. In plaats van tijdens enkele saaie colleges onze tijd te verdoen, besloten we een dagje aan zee te spenderen.
We waren nog maar net aan het liften aan de oprit van de autostrade toen een ons beide vage bekende stopte in een blinkende BMW. Zo fier als een gieter was hij met zijn grondig door Racing Dynamics getunede bolide. Hij moest toevallig naar Middelkerke en we stapten in. Toen de opgefokte wagen optrok werden we letterlijk met onze rug tegen de zetel gedrukt. Tegen 240 kilometer per uur slalomden we tussen het relatief drukke verkeer op de E40. De andere auto’s leken wel ingedommelde schildpadden.

Ter hoogte van Gent was het gedaan met de fun. Jong en onervaren als we waren, vielen we zonder benzine. Als je je auto laat verbouwen zeggen ze je er natuurlijk niet bij dat het verbruik daardoor ingrijpend kan toenemen. Deze zoop blijkbaar benzine als wij bier, want toen we vertrokken in Brussel had ik in een ooghoek gezien dat de brandstoftank nog bijna vol was. Niet getreurd echter, iets verderop zagen we een tankstation en daar zouden ze ons wel kunnen helpen met een jerrycan benzine.
Op hetzelfde moment slipte een donkergrijze Renault met blauw zwaailicht voor onze voeten tot stilstand. In ware James Bond stijl sprongen er twee agenten uit de auto. De ene hield ons dadelijk met een machinegeweer onder schot. Een angstaanjagende ervaring was dat. Eén verkeerde beweging van ons of één kleine vingerkramp bij de agent en het was gedaan met onze nog puberale levens. Ik zag de krantenkop al voor me: ‘Corrupte politieagent schiet drie onschuldige tieners koelbloedig neer’. De andere politieman stapte met zijn pistool in de hand naar ons toe. Hij beval ons alledrie met de benen gespreid en de armen omhoog tegen onze wagen te gaan staan, en deed ons in één beweging handboeien om. ‘De politie, je vriend’, zeggen ze altijd. Op dat moment was deze slogan naar mijn mening zo achterhaald als wat en dringend aan vernieuwing toe. Zo een machtsontplooiing voor een beetje te snel rijden, dat kon toch niet. We waren misschien wel snelheidsduivels, maar toch geen criminelen zeker. Echt verbaasd was ik echter niet, het zag er al enige tijd naar uit dat de politici in ons landje er onder druk van een halsstarrig groepje ouders van enkele jammerlijk in het verkeer overleden kinderen voor zouden zorgen dat snelheid de sigaret van de eenentwintigste eeuw zou worden. Genadeloos verboden.

We bleken evenwel niet zo onschuldig te zijn als we dachten. De agenten waren ons blijkbaar al een tijdje aan het volgen en hadden bij het intypen van onze nummerplaat in hun computer gemerkt dat deze als gestolen stond geseind. Onze vriend bleek de kwalijke gewoonte te hebben ’s ochtends te voet post te vatten bij een krantenwinkel, te wachten tot een nietsvermoedende kantoorklerk met draaiende motor zijn krant ging halen, bliksemsnel in diens auto te springen, en met gierende banden weg te stuiven richting kust, waar hij in Middelkerke een heler kende die hem goed betaalde voor zijn buit van de dag. Niet helemaal legaal, maar er zijn criminelere manieren om je brood te verdienen. In ware politiestijl werden we met loeiende sirenes naar het politiehoofdkwartier overgebracht. De handboeien spanden zo strak rond mijn polsen dat de pijn stilaan ondraaglijk werd. De boeien verplichtten me bovendien om met mijn hoofd naar beneden tegen de zetel voor me te leunen, de enige positie die nog ietwat vol te houden was.
Op het politiebureau werd duidelijk dat onze zogezegde vriend deel uitmaakte van een klein crimineel netwerk. Hij woonde samen met drie kompanen op een luxueus appartement aan zee dat ze betaalden met de opbrengst van hun illegale praktijken. De eerste was een stevige drugsdealer. Op een avondje discotheek verdiende hij meer dan u en ik op een maand hard labeur. De tweede overviel kleine supermarkten en ging met de inhoud van de kassa’s gokken in het casino van Knokke. Daar zagen ze hem graag komen, hij had waarschijnlijk meer geluk in de liefde dan in het spel. De laatste was de zoon van de politiecommissaris van Oostende. Dat is op zich al erg genoeg.
Het was een zwarte dag voor dit radertje van de georganiseerde misdaad. Dankzij een maandenlange samenwerking tussen verschillende politiediensten en een serieuze portie toeval en geluk, werd de bende op enkele uren tijd geheel opgerold en zaten de vier kleine criminelen nu samen in de cel. En wij jammer genoeg ook.

Eén voor één werden we voor verhoor naar buiten geroepen om ons relaas van de feiten te geven. Aan de zoon van de commissaris mankeerde blijkbaar een serieuze vijs. Hij was de hele tijd aan het tieren en schelden naar elke agent die in zijn gezichtsveld verscheen. Toen hij naar buiten werd geleid voor verhoor verkocht hij de hem begeleidende agent gratis en voor niets een rake kopstoot. Drie agenten waren nodig om hem te bedaren. Een gek heeft geen beweegreden nodig om in actie te schieten. Na het verhoor kregen we eindelijk iets te eten. Eén of andere hulpagent had zich de moeite getroost om frieten te halen. Dit was echter, voor de verandering, niet volledig naar de zin van de zoon van de commissaris. De hulpagent kreeg het bakje hete frieten recht in zijn gezicht omdat er ketchup in plaats van mayonaise op zat. Het is niet altijd even plezant politieagent te zijn. Naar mijn bescheiden mening was de zoon van de commissaris rijp voor een instelling. Ik zei dat natuurlijk niet hardop.
De Gentse politiechef geloofde, helaas voor ons, niet dat mijn vriend en ik met deze hele zaak niets te maken hadden en slechts onschuldige studenten waren die door een ongelukkige samenloop van omstandigheden in de problemen verzeild waren geraakt. We mochten een nachtje in de cel doorbrengen. Elk in onze eigen cel deze keer, een allesbehalve prettige ervaring. Eenmaal de lichten werden gedoofd, kwam de cellenblok namelijk tot leven. De diverse geluiden deden me denken aan een moderne jungle, waarvan de meeste bewoners gek genoeg sterk op beesten lijken. Het haar op mijn armen kwam recht van de schrik. Het was pikdonker. Aan het gekrijs en getier te horen werd een paar cellen verderop iemand zwaar gesodomiseerd. Ik kroop angstig nog wat verder onder het laken en deed de hele nacht geen oog dicht.

De volgende ochtend werden we in een politiecombi naar de rechtbank gebracht. In de raadkamer werden we alle zes in een aparte cel gestopt. Een cel kon je dit eigenlijk moeilijk noemen, het leek meer op een pashokje. Ik kon het me niet laten in het houten hok mijn naam te kerven. ‘Ronny was here’, het staat er waarschijnlijk nu nog steeds te lezen. Misschien had ik er beter ook mijn familienaam bijgezet, dat zou hier zeker niet hebben misstaan. Een aandachtige lezer zou dan naar alle waarschijnlijkheid denken dat ik een analfabete rover was. Mijn naam heeft echter niets met criminaliteit te maken, doch alles met vrouwen, maar dit volledig terloops.
Ik hoorde de onderzoeksrechter de aanhouding van de vier kleine criminelen bevestigen. Vooral de zoon van de commissaris kreeg het hard te verduren. De rechter vond dat je ook als zoon van, een bepaalde voorbeeldfunctie te vervullen had in de maatschappij. Ik kreeg het benauwd. Toen mijn vriend en ik aan de beurt waren, waren we allebei lijkbleek. Mijn handen bibberden en ik voelde me duizelig worden. Gelukkig geloofde de rechter in tegenstelling tot de politiechef wel dat mijn vriend en ik slechts door een stom toeval in heel deze historie waren terechtgekomen. Hij vermaande ons enkel dat we in het vervolg beter altijd naar de les konden gaan, je weet maar nooit tot wat een dagje spijbelen allemaal kan leiden. Hij sloeg de nagel op de kop.
Op de trappen van het Gentse justitiepaleis belde ik mijn ouders om ons te komen ophalen. Mijn ouders waren doodongerust geweest dat ik die nacht niet naar huis was gekomen. Ik verwachtte me al aan het ergste toen ik ze zag naderen, maar ze waren zo blij me te zien dat ze vergaten me een zware uitbrander te geven. Goede mensen, mijn ouders.

Dezelfde avond ging ik naar een feestje bij ons in het jeugdhuis. ‘Laat maar wat stoom af!’, riepen mijn ouders me na toen ik de deur uitstapte. Ik stond met enkele vrienden aan de bar en zag in mijn ooghoeken dat een mij onbekende doch niet onknappe jongedame me al een tijdje in het oog hield. Tot mijn eigen verbazing besloot ik naar haar toe te stappen. Ik had die dag dan ook de beste openingszin die ik me maar kon inbeelden. ‘Wist je dat ik vandaag in de krant heb gestaan?’, vroeg ik aan het vreemde meisje. Ik toonde haar het artikel dat ik die middag uit de krant had geknipt. ‘Bende van zes opgepakt’, stond er in koeien van letters boven de tekst, met daarnaast een foto van ons, poserend in het politiebureau. Mijn toekomstig lief smolt als margarine in de zon bij het zien van het krantenknipsel. Beter slechte reclame dan geen reclame, dat geldt blijkbaar ook bij vrouwen. Niet veel later waren we aan het stoeien in de toiletten. Menig vrouwmens houdt van criminele genen in een man.

Voor de eerste keer had ik besloten dat iemand de moeite waard was om meer tijd aan te besteden dan enkele uren of dagen. We gingen samen op ontdekkingstocht naar de zin van ons nog prille leven en de tijd ging razendsnel.
Sinds kort woonden we samen en we hadden het goed bij mekaar. We maakten plannen en droomden stiekem over een gezinnetje. Binnen enkele jaren althans, want we werkten allebei zo hard dat we meermaals uitgeput thuiskwamen en in niets meer zin hadden dan ons bed. Tijd voor een uitgebreid sociaal leven was er niet echt. Als we toch eens de deur uitkwamen gebeurde het vaak dat we door het veelvuldige gegeeuw al naar huis terugkeerden voor het feest begon. Aan de andere kant, doordat we bijna elk moment dat we niet werkten met mekaar doorbrachten, kenden we elkaar stilaan door en door. We hadden weinig of geen geheimen voor elkaar. Het was een mooie tijd. Nog even toch.

Ik had nooit gedacht dat een film je leven zo ingrijpend kon veranderen.

Stanley Kubrick was in maart overleden. Ik had al heel wat gelezen en gehoord over zijn laatste meesterwerk. Zijn ‘opus magnus’ over het ultieme onderwerp, seks. Voor ‘Eyes wide shut’ had hij Tom Cruise en Nicole Kidman weten te strikken, toen nog gelukkig getrouwd en één van de bekendste Hollywood-koppels aller tijden.
Als je de film hebt gezien, zul je je onmiskenbaar de cinematografisch quasi perfect georchestreerde orgiescène herinneren. Een afgelegen plek waar mensen met lange mantels en geheimzinnige maskers op een bijna religieuze wijze seksueel beladen rituelen houden. Een hedonistisch gemaskerd bal. Ondertussen wordt je geest bedwelmt door muziek die je in een nuchtere roes brengt. Misschien wel de meest beklijvende filmscène ooit.
‘Eyes wide shut’ gaat echter niet over een sekte of over orgieën. De film draait om het evenwichtig en routineus leventje van een doordeweeks koppel dat plots wordt doorbroken wanneer Nicole Kidman toegeeft dat ze seksuele fantasieën heeft over een andere man. Tom Cruise heeft dezelfde fantasieën maar kan en wil ze niet toegeven en kan zeker deze van zijn vrouw niet verkroppen.

We hadden samen naar deze film gekeken en ik had het al tijdens de film gevoeld. Er was iets veranderd. Alles werd anders. Ons toekomstig gezinnetje werd bedreigd. De gedachte van verborgen emoties en begeertes verscheurde de routine. En routine was er. Zoals Nicole Kidman die Tom Cruise vraagt hoe ze er uitziet om naar een feestje te gaan en hij die haar zonder kijken antwoordt dat ze er geweldig uitziet. Hij wéét dat ze er goed uitziet. In een flits zag ik ons al eindigen zoals die andere Nicole, die die met Hugo door het leven gaat.
Dat is de tragische nachtmerrie van elk koppel. Niets was nog wat het was. Achterdocht glipte onze relatie binnen als een vos in een kippenhok. Chronisch wantrouwen maakte onze liefde onmogelijk. Onze relatie heeft weliswaar nog bijna twee jaar geduurd, maar het vertrouwen was weg. Verdwenen. Tevoren was vertrouwen nooit een kwestie, dat was er gewoon. Eenmaal het denken aan vertrouwen tussen twee personen komt, is er helaas geen vertrouwen meer.
Nog erger was dat ook de passie was verdwenen. Probeer maar eens een vurige stoeipartij te houden als er iets anders in het hoofd zit, als constant achterdochtige waanideeën je hersenen teisteren. Als je hoofd tegenstribbelt zijn zelfs de leukste borsten geen wondermiddel.


Hoofdstuk 3

Augustus 2005

De breuk met mijn vriendin was nu bijna vier jaar geleden. Sindsdien leefde ik van dag tot dag. De ene dag was ik teruggetrokken op mezelf en de andere losbandig tussen vrienden. Eigenlijk voelde ik mij zo slecht nog niet. Achteraf bekeken waren we allebei nog wat te groen achter onze oren toen we mekaar ontmoetten. Zeker te jong om je leven al in een definitieve plooi te laten vallen. Misschien had ik beter nog een aantal jaren rondgefladderd in plaats van mijn energie vergeefs in een veredelde kalverliefde te investeren. Achteraf is het altijd makkelijk praten.
De crash na het uiteengaan was zwaar en, ofschoon ik niet bijgeloof, dacht ik meermaals dat het nummer van deze pagina me mijn hele leven zou achtervolgen (noot van de redactie: in het originele boek van Ronny De Roover zijn we thans aanbeland op pagina 13). Op een dag, ik herinner me nog goed dat de eerste lentezon mijn oogleden aan het verbranden was, was ik echter terug mezelf en was de breuk verteerd. Ik begreep dat geluk in kleine dingen zit en dat gelukkig zijn net zo goed alleen kan als in koppel, op voorwaarde dat je goed bent omringd, door vrienden of familie. En dat was ik, door beide.

Vorige week heb ik mijn dertigste verjaardag gevierd. Het ging slechts een klein feestje worden, maar naar goede gewoonte is het uiteindelijk ietwat uit de hand gelopen.

Om acht uur zouden de eerste beste en iets mindere vrienden toekomen. Organisatie en planning zijn helaas niet mijn grootste talent, zodat ik in de namiddag nog snel de benodigde inkopen moest doen. Ik ging het niet te moeilijk maken. Enkele flessen champagne als aperitief, een stevige cocktail voor de rest van de avond, voldoende water tegen de kater, en wat chips en olijven voor het onvermijdbare dipje. Een kinderhand is gauw gevuld.
Als je ooit een stevige cocktail nodig hebt, denk dan niet te lang na. ‘Long island iced tea’ overtreft alle verwachtingen. Voor 20 personen volstaan twee flessen witte rum, twee flessen tequila, twee flessen triple sec, twee flessen gin en twee flessen vodka. Koop geen merkdranken, in een cocktail smaakt zelfs een kenner het verschil niet tussen een fles van tien euro en één van de witte producten. Voeg hierbij anderhalve liter pulco met limoensmaak, een fles rietsuiker en werk af met vier liter cola. Vergeet tenslotte niet genoeg ijs bij te voegen of het feest is sneller gedaan dan je wil.
Aan de kassa moest ik jammer genoeg de flessen champagne laten staan nadat mijn bankkaart tot driemaal toe dienst had geweigerd. ‘Waarschijnlijk te weinig gewerkt deze maand’, hoorde ik me denken en de kassierster had het ook gehoord. Met mijn laatste kleingeld vulde ik nog snel een ‘Euromillions’ formulier in, een Europees lottospel waar je fabelachtige bedragen mee kon winnen.

De avond werd een voltreffer. Het grote voordeel van ‘Long island iced tea’ is dat al na één drankje de tongen loskomen en dat de volgende porties gezwind binnenlopen.
Om de discussie wat aan te zwengelen gooide ik een, al zeg ik het zelf, sterke theorie in de groep. Ik beweerde dat dokters en zelfs de geneeskunde in het algemeen uiteindelijk tot de ondergang van de wereld zouden leiden. Ook al lijkt hun werk op het eerste zicht prijzenswaardig, de geneeskunde zorgt er wel voor dat de natuurlijke selectie wordt omzeild en dat de overbevolking in de wereld alsmaar ernstiger proporties aanneemt. Op het eind zullen er op die manier minder of zelfs geen mensen overleven. Zoals wel vaker kreeg niemand een speld tussen mijn theorie. Ik liet deze keer ook niet toe er iets zinnigs tegen in te brengen, wat trouwens ook wel vaker gebeurde. Ik was tenslotte de jarige, zodat ik me net iets meer permitteerde dan gewoonlijk.
Iets later stonden we met z’n allen ‘die kekkut’ mee te neuriën op een hit van ‘Vive la fête’. We konden er toch ook niet aan doen dat de melodie van dat nummer hiertoe aanleiding gaf. Ons arrangement klopte perfect.
De toon was gezet. De ene na de andere aanwezige poogde vervolgens zijn of haar beste karaoke-kwaliteiten te tonen. Het talent liep te koop en droop bijna van de muren. Hilarische toestanden volgden zich in snel tempo op. Je kon hier evenveel ‘Idool’-finalisten selecteren als in een hele provincie. Als je tenminste niet dadelijk weg zou lopen mocht je nuchter naar de prestaties van de sterren in spe luisteren.

Daarna begint alles wat wazig te worden. ‘Long island iced tea’ heeft uiteraard niet enkel voordelen. Misschien wel het grootste nadeel is dat je na enkele drankjes last krijgt van een ernstige black out. De volgende dag weet je je nog bijzonder weinig te herinneren. Als je geluk hebt herinner je je wel nog enkele flarden van wat er juist gebeurd is en met nog meer geluk herinneren je vrienden zich andere flarden, zodat je het verhaal na enig recherchewerk toch grotendeels kan reconstrueren.
De enige flard die ik me zelf nog kan herinneren, het was denkelijk al redelijk laat op de avond, is die van een goeie ouderwetse ‘fight club’.

‘Weer een film’, hoor ik je al denken. Niets is echter minder waar. Onze eerste ‘fight club’ dateert van toen we in onze studententijd nog gingen ‘buikschuiven’ en dat is jaren voordat één van de grote Hollywoodstudio’s ‘fight club’ verfilmde. Buikschuiven was een door onszelf bedachte regionale sport waarbij je ’s nachts en bij regenweer een zo steil mogelijke, met gras bedekte helling zoekt, een stevige aanloop neemt en jezelf op je buik van de helling smijt, waarna je tientallen meters door het gras kan schuiven. Zeer plezant, behalve als je de verantwoordelijke voor de wasmachine bent of als er glasscherven tussen het gras liggen. Bij dat laatste verandert onze sport in ‘openbuikschuiven’, maar daar hebben wij gelukkig nooit aan deelgenomen. Iedereen verdient een serieuze portie geluk bij het volwassen worden.
Wij waren eerst. Brad Pitt heeft zijn beruchte tekstje overigens bijna letterlijk van ons gepikt. “The first rule of fight club is: you do not talk about fight club. The second rule of fight club is: you do not talk about fight club. The third rule in fight club is: when someone says ‘stop’ or goes limp, the fight is over. The fourth rule is: only two guys to a fight. Fifth rule: one fight at a time. Sixth rule: no shirts or shoes. Seventh rule: fights go on as long as they have to. And the eighth rule of fight club is: if this is your first night, you have to fight.” Bij ons was het alleen niet in het Engels en bestond de regel dat je niet in het gezicht van je tegenstrever mocht slaan. Kwestie van voorkomen de dag nadien. Een goed voorkomen is een halve man.

Enkele jaren voordien waren we met ons spelletje gestopt na enkele gebroken vingers en een ernstige sleutelbeenbreuk, doch op mijn verjaardagsfeestje waanden we ons terug in onze glorietijd.
In het midden van de dansvloer deed een dubbele matras dienst als vechtring. Germaanse strijdmuziek verhitte de gemoederen. Twee mensen ontblootten hun bovenlijf en maakten zich klaar voor het eerste gevecht. De rest plaatste zich rond de matras. Onder de toeschouwers waren ook reeds verschillende naakte torso’s zichtbaar, zowel mannelijke als vrouwelijke. Dat was het teken dat zij solliciteerden voor het volgende gevecht. In tegenstelling tot de seksistische sportwereld, werd er bij ons geen onderscheid gemaakt tussen de geslachten. De vrouwen moesten letterlijk hun mannetje kunnen staan. Ik zie nog steeds levendig het beeld voor me van drie uit de bol gaande vriendinnen die hun borsten moesten ondersteunen omdat het uitbundig gespring bij het aanmoedigen van hun favoriet te pijnlijk werd. Hun vader had het moeten zien.
De twee eerste gevechten eindigden onbeslist. Het derde gevecht was ik aan de beurt. Tegen mijn broer dan nog wel. Iets om tegenop te zien want die heeft vikingbloed door zijn aderen stromen. Die stopt pas als hij niet meer bewegen kan en zover had nog geen enkele tegenstander hem gekregen. Net toen ik aan de winnende hand leek, mijn wurggreep is wereldbefaamd, moest het gevecht worden gestaakt.
Verschillende toeschouwers joelden dat ze met bloed werden bespat. Toen ik het bloed van mijn mond veegde, werd de oorzaak duidelijk. Twee kiezen waren verdwenen en in hun plaats was nu een gapend gat. Een ongelukje is snel gebeurd.

Na de ‘fight club’ ging bij mij het licht uit. Later hoorde ik van een goede vriend dat hij mij op het einde van de memorabele avond slapend aan de achterdeur had teruggevonden. Omdat mijn hoofd aan de verkeerde kant van de deur in het natte gras lag, had hij me voor hij doorging met handen en voeten binnengetrokken opdat ik niet zou onderkoelen. Het was wel nog zomer, maar ‘s nachts was het al verraderlijk koud. Het is altijd leuk als een goede vriend je leven redt.

Compleet geradbraakt stootte ik bij het wakker worden mijn hoofd tegen de klink van de achterdeur. Mijn hersenen stonden iets later op dan ikzelf. Het duurde even eer mijn evenwichts- en oriëntatievermogen zich herstelden en ik stap voor stap de woonkamer binnenstrompelde.
Een ander nadeel van ‘Long island iced tea’ is dat je de dag nadien een ongelooflijke kater hebt. Het was nog nooit zo erg geweest. Mijn hoofd was leeg en gonsde en bonkte nog enkele uren na. ‘Ik drink nooit meer’, dacht ik bij mezelf, maar dat was niet de eerste en waarschijnlijk ook niet de laatste keer.
Het huis was een complete warboel, het leek alsof er een kleine oorlog had gewoed. Overal stonden glazen, de grond plakte van de alcohol en het toilet was ondergekotst. Op een muur had iemand met olijven een heel kunstwerk gemaakt. Een andere muur zat onder de vegen bloed. Mijn hoofd was allesbehalve paraat om nu reeds op te ruimen.
Misschien nam ik beter eerst een douche. In de badkamer bleek echter dat ook het bad volledig was ondergekotst. De schuldige lag er bovendien nog in. Ik strompelde terug naar de woonkamer en droeg wat bekertjes naar de vuilbak. Naast de vuilbak vond ik onder een hoopje chips zowaar mijn gisteren gekochte ‘Euromillions’ formulier.

Omdat op dat moment alle uitvluchten goed waren om maar niet te hoeven opruimen, slenterde ik naar de krantenwinkel om de hoek.
‘Gisteren een feestje gehad zeker?’, vroeg de krantenvrouw op een bitsige toon. ‘Eén van je bezoekers heeft vannacht een pakje achtergelaten in mijn brievenbus’, en ze toonde me een bruin uitslaand stuk krantenpapier. Ik had geen zin om een scène te maken en nog minder om al zo vroeg op de dag op mijn kop gekakt te worden. Ik negeerde wat ze zei en gaf haar zonder een woord te zeggen het ‘Euromillions’ biljet.
De vrouw gleed het vettige formulier in haar speciaal daartoe bestemde machine. Plots baadde de krantenwinkel in een kakofonie van gekleurde lichtjes die aan- en uitknipperden. De lottomachine braakte een symfonie van piepjes en tuutjes uit. Het muziekje klonk als engeltjes in de hemel. ‘Meneer’, zei de krantenvrouw naar adem snakkend, ‘u hebt gewonnen’.
‘Hoeveel?’, vroeg ik onmiddellijk, enigszins verbaasd dat mijn hersenen na vannacht mijn spraakvermogen nog konden sturen.
‘Dat staat er niet bij, er staat enkel dat de computer automatisch een afspraak heeft gemaakt op het hoofdkwartier van de lotto in Brussel, vannamiddag om drie uur.’

Enkele weken eerder was een gelijkaardige trekking van ‘Euromillions’ wereldnieuws geworden. Een Ierse vrouw had zo maar eventjes anderhalf miljard frank gewonnen. Ik betrapte me erop dat ik nog steeds in frank rekende, ironisch genoeg ook bij ‘Euromillions’. De vrouw was eerst dolgelukkig, maar dat veranderde al gauw toen ze op elk moment van de dag lastiggevallen werd door journalisten allerhande. Daarna kwamen ook de geldwolven op haar af. Naar het schijnt had ze ondertussen al drie miljoen brieven ontvangen met, je kan het zo gek niet bedenken, smeekbedes voor geld. De laatste keer dat ik haar op televisie zag, leek ze me allesbehalve gelukkig.

Met mijn twee beste vrienden en mijn broer trok ik in de vroege namiddag richting Brussel. De kater was in ons drie. Ik voelde me blijkbaar nog het best, naar alle waarschijnlijkheid door de adrenalinestoot in de krantenwinkel die ochtend.
We hadden nog maar net onze auto geparkeerd toen mijn tweede beste vriend zei dat de beste manier om een kater te verhelpen, opnieuw beginnen drinken is. Toevallig passeerden we net op dat moment aan de voet van de grote markt, waar je bij mijn weten de enige rumbar vindt die Brussel rijk is.
We bestelden ons elk een ‘Tour du monde’, een ronde houten schotel met tien shots rum uit verschillende landen van de wereld. Na drie shots voelden we ons alledrie klaar om er terug in te vliegen. Na vijf vertelde ik mijn vrienden dat ik een prettig voorgevoel had. Stel je eens voor dat ik de hoofdprijs van ‘Euromillions’ had gewonnen, ons leven zou er volledig anders gaan uitzien. Dit was misschien de laatste keer dat we als normale mensen samen konden zitten. Daar dronken we eentje op. Ik vertelde er tevens bij dat ik mijn eventuele winst zeker niet aan de grote klok zou hangen. De Ierse vrouw indachtig wou ik ten allen prijze opdringerige journalisten en gelukzoekers op een afstand houden. Twee shots later excuseerde mijn broer zich ineens. ‘Sorry mannen, ik kon er niet aan doen’. Er lag een plas gele nattigheid onder onze tafel en de plas breidde zich langzaam uit richting toog. Eén van de slechtste gewoontes van mijn broer, die hij te pas en te onpas ten berde bracht. Bij ons vorige bezoek aan de rumbar waren we om dezelfde reden buitengekegeld. We dronken snel de laatste twee porties rum op en haastten ons naar buiten.

Op de hoofdzetel van de lotto zagen ze ons liever gaan dan komen. Je kon ons ook van op twintig meter ruiken komen. Zeker mijn broer, want klaarblijkelijk had hij daarnet in de rumbar zelfs de moeite niet gedaan om zijn gulp te openen bij zijn incontinente gewoonte. De bewakingsdienst geloofde pas na drie telefoontjes over en weer met de administratie dat we effectief een afspraak hadden en stuurde ons door naar de receptie.
De juffrouw achter de receptie hing net aan de telefoon en liet ons even wachten. Op het televisiescherm achter de desk meldde een nieuwslezeres op datzelfde moment dat er een nieuwe pijplijn was ingehuldigd tussen de Kaukasus en de Kaspische Zee. Mijn beste vriend vroeg de secretaresse of zij van tijd tot tijd de pijplijn van de directeur speelde en of zijn aardolie zijn geld wel waard was. Het meisje, die ondertussen de telefoon had ingehaakt, was compleet de kluts kwijt. Mijn vriend voegde er snauwend aan toe dat hij anders wel eens in haar kas wou pissen. Hij kon scherp uit de hoek komen met zijn denigrerende mopjes. De receptiejuf begon te huilen en toonde ons snikkend het kantoor waar we moesten zijn. Een doorwinterde grapjas, mijn vriend.
Verbaasde blikken volgden ons toen we het kantoor van de gedelegeerd bestuurder binnenstapten. De net iets te uitbundige directeur feliciteerde me uitgebreid. Ik bleek inderdaad de gelukkige winnaar van de ‘Euromillions’ jackpot. Ik voelde me wat ongemakkelijk bij de vele toch wel redelijk intieme aanrakingen van deze voor mij wildvreemde man en beeldde me levendig in dat hij ’s avonds op zijn blote knieën zijn homofiele vriendje zou bedelen om één of andere pijplijn.
Ik had ooit eens gelezen dat je bij winst van de grote pot kon kiezen tussen uitkering van de gewonnen som in één keer of in de vorm van een levenslange maandelijkse rente. Ik voelde dat de directeur aan zijn ingestudeerde tekstje in dat verband zou beginnen en zei hem, voor hij zijn eerste woorden kon uitspreken, dat ik het geld cash wou. Het kon ineens niet snel genoeg gaan, lang gingen we het hier niet meer uithouden in dit bekrompen kantoorgebouw. Voor geen geld in de wereld zou ik hier ooit willen werken.
De directeur stelde nog voor eerst wat te bekomen bij een glaasje champagne, maar, raar maar waar, we weigerden en vertrokken met een vette cheque. Zoiets was nog nooit gebeurd. Aangeboden drank weiger je niet, zeker niet als er bubbels inzitten. Het was het eerste bewijs dat het in de rumbar effectief de laatste keer was dat we ons als normale mensen zouden gedragen.


Hoofdstuk 4

September 2005

Ik had een gigantisch bedrag gewonnen. Drie miljard frank, naar beneden afgerond. Vijfenzeventig miljoen euro, om exact te zijn.

Ik had onmiddellijk na de verzilvering van de cheque mijn broer en mijn twee beste vrienden tien miljoen euro gegeven. Kwestie van de sociale gelijkheid onder ons te behouden. Jaloezie is de grootste vijand van zelfs de sterkste vriendschap. Ze sprongen een gat in de lucht en zouden me eeuwig dankbaar zijn.

Voor we domme dingen zouden gaan doen met ons pas gewonnen fortuin en ons kapitaal als sneeuw voor de zon zouden zien verdwijnen, besloten we met zijn vieren een korte trip naar Spanje te maken. Mijn grootouders hebben een appartementje in Salou en we mochten daar vijf dagen gratis verblijven. Gratis logies hadden we nu niet meer nodig, maar het paste in ons plan om niet overhaast geld te gaan spenderen.
Als je net drie miljard gewonnen hebt, zijn er uiteraard betere oorden te vinden dan Salou.
Waarschijnlijk associeer je deze Spaanse badstad met het door Paul Jambers uitgedachte format ‘Hete kussen uit Salou’. Dat klinkt misschien wel uitnodigend, maar Salou is dégoutant. Een ander woord heb ik er niet voor. Deze uit de kluiten gewassen badplaats aan de Costa Daurada wordt thans bevolkt door horden Engelse en Hollandse toeristen. En dan meestal nog de marginaalste. De hele zomer heerst hier dag en nacht een verstikkende onrust. Lawaai, baldadigheden, gevechtjes, uitlaatgassen, junk food en lelijke lijven in overvloed. De rust keert hier pas weer in oktober, als de zon niet meer genoeg kracht heeft om de Engelse bleekhuiden te verbranden. Dan is het hier doods en verlaten, en wordt Salou een spookdorp met honderden lege hotels en appartementsblokken. Heel het jaar door dégoutant dus.

Het vliegtuig vertrok met twee uur en drie kwartier vertraging. Bij het aanvliegen naar de luchthaven beleefden we alle vier onze eerste bijna dood ervaring. Het vliegtuig moest een bocht van negentig graden maken en helde, ergens middenin de draaibeweging, plots sterk over. We keken mekaar angstig aan en vreesden het ergste. We voelden dat het vliegtuig maar net genoeg kracht had om het tegensturen van de piloot tot een goed einde te brengen. Het scheelde geen haar of we waren over onze as gegaan en beginnen tollen, en dan weet je natuurlijk niet waar je eindigt. We bestelden ons nog snel een whisky om te bekomen van de doorstane angsten.
We landden pas om elf uur ‘s avonds in Barcelona en haastten ons zo snel mogelijk naar de balie van een autoverhuurbedrijf. Een vorige vakantie had ons geleerd dat er na tien uur ’s avonds wel nog treinen van het vliegveld naar het centrum van Barcelona reden, doch spijtig genoeg geen meer van daar naar Salou. De taxi had ons toen meer dan honderd euro gekost voor een doodsaaie, ergerlijke rit. Spaanse taximannen zetten je in de zak waar je bijstaat, met datzelfde geld huur je namelijk voor een paar dagen een auto.
Een begeerlijke jongedame overhandigde ons de sleutels van een spiksplinternieuwe lichtgrijze Renault Clio. We namen alle mogelijke verzekeringen, je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn. Gemakkelijke klanten, moet ze hebben gedacht. Drie minuten later stoven we de parking af met ons vervoermiddel voor de volgende dagen. We hadden gemerkt dat de begeerlijke jongedame dadelijk een oogje op ons had, maar we waren te uitgeput om er eentje terug te hebben. Toen we zonder reactie op haar verleidingsmanoeuvres vertrokken, keek ze ons enigszins teleurgesteld maar voornamelijk bezorgd na. Aan haar ogen kon je aflezen dat ze ons misschien beter een niet zo recente auto had toevertrouwd. Daar had ze maar vroeger aan moeten denken, gedane zaken maken geen keer.

De rit naar Salou duurde ongeveer een uur. Onderweg doopten we ons autootje ‘Clito’, naar de muze van de geschiedenis. De geschiedenis van het vrouwelijke geslacht welteverstaan. Tegen enen arriveerden we op het appartement. De eerste avond hielden we het rustig, we waren redelijk uitgeput na de vermoeiende reis. We kropen onmiddellijk onder de wol en sliepen alle vier lang en diep. Stilte voor de storm.

De volgende ochtend bleek al vóór het ontbijt dat we van geluk mochten spreken dat we op de luchthaven veilig en wel door de douane geraakt waren. Een klein drugsarsenaal lag uitgestald op de ontbijttafel. Het gebeurde wel meer dat iemand geniepig één of ander verdovend middel meenam op een korte vakantie, maar nu hadden we toch het gevoel op zijn minst gezegd licht te hebben overdreven.
Ikzelf had gezorgd voor een beetje wiet. Zoals altijd had ik deze verstopt in een tube tandpasta, zelfs de beste drugshond kon aldus mijns inziens enkel de pasta ruiken. Op de tafel lagen echter ook nog een flesje liquid xtc en een openstaand zakje gedroogde paddestoelen. Iedereen had blijkbaar iets meegebracht. Iets verder stond een doosje met op het etiket ‘herbal xtc deluxe’, biobollen van de beste soort. Ik vroeg me af wat we in godsnaam met dergelijke hoeveelheid geestverruimende middelen moesten aanvangen en begon ietwat te vrezen dat we op onze minitrip weinig nuchtere uren zouden beleven. Iemand, ik ga geen namen noemen, had daarenboven ook nog een envelop met vier gram cocaïne mee. In ware gangsterstijl had hij hiervoor een dubbele bodem in zijn rugzak gefabriceerd. Nadat ik hem had uitgelegd dat hierdoor de geur niet verdween en in een röntgenapparaat dergelijke bodem wel eens zichtbaar zou kunnen zijn, beseften we dat we ons weeral eens nodeloos onverantwoord hadden gedragen en blij mochten zijn dat we onze vakantie niet achter slot en grendel moesten doorbrengen.

We ontbeten op het terras van het appartement. In tegenstelling tot de rest van het appartement, kan je niets slechts zeggen over het terras. Het is voldoende groot en je hebt er bijna de hele dag volle zon. Net na het ontwaken ontbijten onder een stralend zonnetje zorgt er bovendien voor dat de vakantiesfeer er dadelijk inzit en dat de dag eigenlijk al niet meer stuk kan. Goed begonnen is half gewonnen.
We aten mijn beste vriend zijn wereldvermaarde omelet met kaas, ham en champignons. Blijkbaar had hij zich ook de moeite getroost om bij de bakker enkele stokbroden te halen. Mocht hij van het andere geslacht zijn, mijn beste vriend zou de perfecte huisvrouw zijn.
Mijn frank viel pas toen ik me na het ontbijt ineens wat duizelig voelde en alles ineens wat trager ging. De paddestoelen in het omelet waren psychedelisch verdomme. De kok kreeg een kleine uitbrander, maar veel trokken we er ons uiteindelijk niet van aan, we waren tenslotte op vakantie.

Mijn grootouders kochten het appartement ergens midden de jaren zestig, toen het massatoerisme nog niet bestond en Salou nog een rustig vissersdorpje was. Onder Franco waren de tijden enigszins anders te noemen. Het was pas toen koning Juan Carlos aan de macht kwam dat het toerisme werd aangemoedigd, wat een gouden zet bleek voor de inkomsten van Spanje en de welvaart van haar inwoners.
Omdat het appartementje weliswaar goed was onderhouden doch nooit een stevige opknapbeurt had gekregen, is het minste dat je kan zeggen dat het ondertussen verouderd was. De keuken en de badkamer dateerden nog van toen het gebouw werd opgetrokken en waren niet aangepast aan de hedendaagse standaarden. Het behang aan de muren en het meubilair konden ook moeilijk van deze tijd worden genoemd, dat was al zo oud dat het bijna terug modieus was. Bovendien was er vorige winter een probleempje met de afloop van de douche in het appartement boven ons. Een lek had ervoor gezorgd dat het plafond van onze badkamer volledig beschimmeld was. Geen plek om lang te vertoeven dus. Gelukkig is het in Spanje altijd goed weer en bevind je je meer buiten dan binnen, zodat het appartement voornamelijk als slaapplaats dienst moet doen.

Vandaag zouden we alleszins niet lang meer op het appartement rondhangen. Toen ik na het ontbijt een grote boodschap wou doen in de badkamer, kwam de schimmel op het plafond boven de douche, zoals die andere schimmels, namelijk gestaag maar zeker op me afgegaloppeerd. De werking van de paddestoelen in het omelet was niet te onderschatten. Krijsend stormde ik terug het terras op en overtuigde de anderen dat we voor onze eigen veiligheid onmiddellijk de buitenlucht moesten opzoeken.
We besloten de dag op het strand door te brengen. Op een klein half uurtje rijden van Salou vind je één van de gezelligste strandjes die ik ken, met de lekker in de mond rollende naam ‘Playa del torn’. Het strand is gelegen in een romantische baai omringd door een partij bergen. Je ziet hier geen hotels of andere wansmakelijke gebouwen, enkel de zee en een bos met van die typisch Spaanse pijnbomen. Waarschijnlijk is het een beschermd natuurpark.
Ik sloeg even aan het twijfelen toen ik te weten kwam dat er achter de bergen één van de grootste nucleaire parken van Spanje is gelegen, maar zelfs dat weegt niet op tegen de onomstotelijke kwaliteiten van het strandje.
Het strand is enkel bereikbaar via een smal wegeltje door de bergen dat voor ordinaire toeristen onvindbaar is. Het zand is net grof genoeg om niet op je zenuwen te werken wanneer het ongewenst op je handdoek of jezelf terechtkomt. De enige bar op het strand wordt dagelijks per boot bevoorraad en wordt uitgebaat door een joviale vijftiger die de jaren zestig nog heeft meegemaakt en volgens mij nog steeds de vrije liefde predikt. En, ik zou het nog bijna vergeten, het is één van de weinige naaktstranden van Spanje. Mooi meegenomen.

Toen we op het strand arriveerden, was het iets slechter met ons gesteld. De paddestoelen waren hun werk zeer grondig aan het doen. Boven de naakte mannen en vrouwen zag ik zowaar tekstballonnetjes verschijnen. Mijn vrienden beleefden net dezelfde op zijn minst gezegd bizarre ervaring. In die ballonnetjes werden bovendien letter na letter de gedachten van die mensen zichtbaar. Het was alsof iemand hun gedachten voor ons uittypte. We beleefden enkele hilarische momenten, zeker toen we de gedachten van enkele ons omringende koppeltjes te zien kregen. We twijfelden er op een bepaald moment zelfs aan hen te vertellen wat hun partner van hen dacht, wat in enkele gevallen ongetwijfeld het einde van hun relatie zou hebben betekend.
Iets later vielen we alle vier in slaap in de brandende zon. Een geluk dat we ons goed hadden ingesmeerd of de gevolgen zouden navenant geweest zijn. Slapen in de zon kan ongelooflijk deugd doen, je krijgt hierdoor namelijk een dubbele portie energie, die van het slapen en die van de zon. Dit doet echter absoluut niet ter zake.
Om vier uur begon het plots te overtrekken en gingen we iets drinken in de bar. Ofschoon het al een tijdje bewolkt was, was het een helse belevenis om door het hete zand op onze blote voeten aan de andere kant van het strand te geraken.
In de bar bestelden we ons eerst twee flessen water om onze voeten af te koelen. Daarna dronken we enkele mojitos en voor we het goed en wel beseften waren we aan het lachen met de ene zijn kleine lul en de andere haar spitse hangtieten. Tegen valavond begon dan ook nog eens het ‘happy hour’, twee mochitos voor de prijs van één. We schakelden prompt over naar pintjes want ik kan je verzekeren dat na een stuk of acht mochitos je smaakpapillen volledig verzuurd zijn.
Het was al donker toen de barman met wat sprokkelhout een met zand en kolen gevulde vissersboot in brand stak. Een reusachtige paella werd door twee bijzonder aantrekkelijke Spaanse furies op deze geïmproviseerde barbeque klaargemaakt. Voor mocht je het vergeten zijn, volledig naakte Spaanse furies. De paella smaakte zo lekker als die eerste keer dat je van je mama de kookpot met het overblijvende cakedeeg mocht opvingeren, met dat verschil dat je mama niet in haar evakostuum aan het kookvuur stond.
We bleven nog een poos lallen met een paar gezellige en niet onaantrekkelijke deernen. Om elf uur was onze pijp echter onverbiddelijk uit. We geraakten nog maar net terug in het appartement.

De tweede dag planden we een bezoekje aan ‘Port Aventura’. We waren te verbrand om naar het strand te gaan. Als je, zoals wij gisteren, in slaap valt in de Spaanse zon, volstaat het niet dat je bent ingesmeerd, dan heb je eigenlijk iemand nodig die je elk uur opnieuw insmeert. Een Thaise importvrouw zou in dit verband haar diensten kunnen bewijzen, maar die hadden we helaas niet. Na een dag hadden we het strand trouwens ook wel al gezien, we zijn niet van dat type dat de hele vakantie uren in de zon ligt te bakken.
‘Port Aventura’ is één van de grootste attractieparken van Europa, en dat op wandelafstand van Salou. Ik heb me laten vertellen dat op de site waar nu ‘Port Aventura’ is gevestigd, oorspronkelijk ‘Euro Disney’ haar paleizen wou neerpoten, wat slechts op het allerlaatste nippertje om één of andere duistere reden toch niet doorging. Rond het park vind je overigens, in ware Disney-stijl, verschillende themahotels en aan de ingang werd zelfs de Middellandse Zee nagebouwd, voor zover je een zee kan bouwen uiteraard. Het domein is onderverdeeld in vijf landen, van China tot Amerika ten tijde van de cowboys, en je kan de verschillende landen doorkruisen met een trein, niet zo een geïmproviseerde die je in andere parken ziet, maar een echte. Het park is volgestouwd met de meest spetterende attracties en de hele dag door zijn er op verschillende plaatsen de meest spectaculaire shows te bekijken. Zoals het een pretpark die naam waardig betaamt, hangt er ook een stevige portie magie in de lucht, zoveel dat je bij het betreden van het park letterlijk uit het kabouterbos geïmporteerde sprookjeslucht kan opsnuiven.

Op weg naar het park sloegen we elk twee biobollen achterover. Normaal gezien is de werking van deze volstrekt legale pilletjes niet om over naar huis te schrijven, maar in combinatie met een beetje vermoeidheid en een volle streep zon, geven ze je toch een bijzonder goed gevoel en gedurende enkele uren een lach tot achter je oren.
Aan de kassa van het pretpark zagen we dat je met een nieuwe formule op de vijf grootste attracties van het park via een aparte toegang minder wachttijd zou hebben. Aangezien we eigenlijk maar voor één attractie kwamen en de ‘Dragon Khan’ één van de attracties van deze speciale formule was, betaalden we zonder verpinken het dubbele van de normale toegangsprijs. Al lachend uiteraard, maar dat had je wel al verwacht.

De ‘Dragon Khan’ is geen gewone achtbaan. Het is er één met een overvloed aan de meest diverse intense gewaarwordingen. De generalissimo onder de draken.
Eerst word je met een stevige versnelling een korte maar krachtige afdaling ingegooid. Drie seconden voorspel als het ware.
De volgende dertig seconden word je op een gezapig tempo tachtig meter omhooggetrokken. Ondertussen krijg je langzaam maar zeker een steeds beter uitzicht over de volledige omgeving. Net buiten het park zie je het immer dieper het binnenland uitdijende Salou. Je ziet ook Cabo Salou, een beboste heuvel voor de ietwat chiquere toeristen. Meer naar links krijg je iets wat je niet dadelijk verwachtte, Tarragona. In vroegere tijden reeds een belangrijke handelsstad in een uithoek van het Romeinse imperium. In recente tijden één van de meest vervuilde steden van Spanje, de industriële voorpoort van Barcelona. De immense chemische en petrochemische bedrijven bieden een troosteloze aanblik. De stank is zelfs op verschillende kilometers afstand niet te versmaden. Op een hoogte van tachtig meter dan nog.
Je bent nog maar net bekomen van dit afschuwwekkend beeld of een blik in de diepte doet je duizelen. Als je wat voorover leunt kan je nog net het einde van de rails van de achtbaan zien. De steilste afdaling die je je kan inbeelden. Steiler en je valt. Met een razende snelheid duik je naar beneden. Je buik vlindert en je mondhoeken tintelen. Vijf seconden. Vijf seconden die je de rest van je leven niet vergeet.
Dan volgen vierenveertig seconden pure achtbaan. Looping. Twister. Omgekeerde looping. Driedubbele looping. Overhoofdse twister. En ook nog eens een draaiende looping om het af te leren.
Tot slot word je abrupt tot stilstand gebracht en krijg je enkele seconden om te bekomen van de rit alvorens de beschermkappen opengaan. De meeste draakvliegers beseffen dan pas dat ze al vertrokken zijn, maar de lach op hun gezicht verraadt dat ze er onbewust toch wel van genoten hebben.

Tot een stuk in de namiddag spendeerden we onze tijd in de ‘Dragon Khan’. Het speciale pasje bleek zijn bom geld dubbel en dik waard. Via een volledig gescheiden wachtrij kwam je tot vlakbij de poort van de attractie. Nooit meer dan tien mensen voor je. Nu moet je weten dat er in de normale wachtrij voor de ‘Dragon Khan’ altijd enkele honderden mensen staan aan te schuiven en je toch een klein uur kwijt bent eer je aan je suspensrit kan beginnen. Toen wij ons opmaakten voor onze vijfde rit, kregen we er plezier in dat we steeds dezelfde mensen gewoon een stuk verder in de file van de andere wachtrij zagen staan. Hét voorbeeld van onze kapitalistische maatschappij. Als je maar genoeg geld op tafel legt, mag je op een ander zijn kop kakken. Zielig eigenlijk. Wij hadden er helaas enkel plezier in en lachten uitbundig de rij naast ons voorbij. Het was op het randje van het welvoeglijke soms. Ik heb meerdere familieman met een traan in zijn ogen jaloers naar ons zien kijken. Op dat moment dachten we enkel dat ze ook maar zo een speciaal pasje hadden moeten kopen. Geen medelijden.
Een normale achtbaan zou je na enkele keren beu zijn. De ‘Dragon Khan’ verveelt echter niet. Dankzij het pasje konden we echt alles uitproberen. Met zijn vieren op de eerste rij. Met de camera op de eerste rij. Allevier met de gekste smoel op de foto. Adem inhouden tijdens de volledige rit. Iedereen op de laatste rij. Zo ver mogelijk met je benen uit het bakje. Met een volle blaas. Met een lege. Enzovoort. Een geluk dat we geen bommen konden maken of we hadden ook geprobeerd wat een ontploffing in het midden van de derde looping zou geven. Grote kinderen waren we.

Na een korte eet- en drinkpauze pikten we enkele van de spetterende shows mee en slenterden wat rond in het park. Om een uur of zes staken we aan één of andere attractie een jointje op. Dat hadden we beter niet gedaan. A very bad idea om het in het Engels te zeggen. We hadden nog maar pas de eerste trekjes genomen en er stonden al twee bewakers bij ons. Mijn broer probeerde de joint nog in zijn hand te verstoppen, maar de bewakers waren onverbiddelijk. Wij konden toch niet weten dat er gisteren een dikke Duitser zo stoned als een ei was gaan rechtstaan in de attractie waar we voorstonden, met zijn hoofd tegen een dwarsbalk was geknotst en op weg naar het ziekenhuis was overleden. Door dit voorval waren wij nu de pineut. We werden vriendelijk verzocht het park te verlaten. Spijtig maar helaas.

Op weg naar het appartement stopten we nog even in de uitgaansbuurt van Salou. We zaten nog maar net neer en hadden zelfs nog geen drankje besteld toen een Vietnamees of iets dergelijks ons een vervaarlijk bewegende kat kwam aansmeren. Twintig euro voor een gerobotiseerde versie van een poes. Waren het nu de biobollen of dat ene trekje van de joint, ik zou het niet weten, maar plots bood mijn beste vriend vijf euro, wat, ongelooflijk maar waar, werd aanvaard door de man met lichte spleetogen. Hij had waarschijnlijk dringend eten nodig, zo zag hij er toch uit.
We zetten de kat op de toog, drukten op ‘on’ en de kat miauwde zich een weg naar de serveerster. Deze zette enkele pinten voor de poten van het beest en draaide de volautomatische barpoes terug in onze richting. Poot voor poot kwamen onze pinten dichterbij, dat was nog eens gemakkelijk. Op de duur maakten ook de andere tooghangers gebruik van ons huisdier. Urenlang plezier voor vijf euro. Of de kat zelf het leuk vond, weet ik niet. Ik zal het ook nooit weten, want we hebben ze niet meer teruggezien.

Het volgend café was zo’n ordinair danscafé waar er twintig in een dozijn van bestaan. We zetten ons aan een tafeltje op het terras en bestelden een grote karaf sangria. Aan de tafel naast ons zaten drie redelijk grote Britse schoonheden. Vijf meter veertig in totaal, schatte ik. Waarschijnlijk waren het fotomodellen. Ze hadden zich net niet overdreven opgemaakt en moesten er ook naturel redelijk oogverblindend hebben uitgezien. De vrouwen hadden alleszins veel bekijks.
Opeens hoorden we binnenin de bar tumult ontstaan. Een getatoeëerde hooligan werd door drie buitenwippers met veel kabaal buiten gedragen. Ze hadden hem blijkbaar binnen in de bar ook al stevig aangepakt. Het bloed droop van zijn linkerslaap. Op het terras werd deze adrenaline opstoot door iedereen aandachtig gadegeslagen. Iets later stormden twee collega-hooligans naar buiten. Het zag er ineens minder goed uit voor de buitenwippers. Eén van hen werd achteraan op zijn hoofd getroffen door een baseball bat. Een halve tel later lag hij verdacht bewusteloos op de grond. Hij heeft waarschijnlijk nooit geweten dat de hooligan die hij vast had niet alleen was. De hooligan die de buitenwipper net de pijnlijk accurate slag had verkocht kon de grijns op zijn gezicht niet verbergen. De andere hooligan sprong als een aap op de rug van de tweede buitenwipper. Hij beet zowaar een stuk vel uit zijn nek en spuwde het uit. Het bloed van de buitenwipper spatte tot op de tafel met de fotomodellen. Door zijn rode tanden en lippen leek de hooligan, behaard als hij was, op een bloeddorstige gorilla. Werkelijk iedereen op het terras keek met afschuw naar de zich voor hun ogen afspelende taferelen. De hooligan die was buitengegooid kroop uit zijn benarde situatie en maakte zich meester over de enige buitenwipper die hem nog vasthield. Eén buitenwipper is te weinig voor een hooligan. De politie weet dat ook, daarom dat er bij een voetbalmatch altijd meer agenten zijn dan risicosupporters. De buitenwipper werd met een rake linkse en een razendsnelle upppercut buiten strijd gesteld. In mijn linker ooghoek zag ik nog net de hand van mijn broer terugkeren van de tafel met de drie aantrekkelijke dames. Die hield zich blijkbaar met andere zaken bezig. In zijn hand zat een leeg flesje. Niemand had iets in de gaten. Uit alle aanpalende bars schoten er nu buitenwippers te hulp. Uiteindelijk waren er negen nodig om de drie hooligans te bedaren. Allez, bedaren is een groot woord, de hooligans bewogen niet meer en het zag er niet naar uit dat ze dat de volgende maanden zouden doen. Het was hun verdiende straf.
De rust op het terras keerde weer. Na lang aandringen vertelde mijn broer dat hij het flesje vloeibare xtc in de glazen van de drie Britse modellen had gegoten. Ofschoon in zo’n flesje nog geen centiliter drug zit, had mijn broer naar mijn bescheiden mening zeker niet het hele flesje dienen te gebruiken. Twee liedjes na het spannende gevecht stonden de dames namelijk al met ontblote borsten op de tafel te dansen. ‘We hadden misschien zelf ook wel wat kunnen gebruiken’, mijmerde ik in mezelf. Tot mijn verbazing merkte ik dat ik plots alleen aan tafel zat en dat mijn vrienden al mee op de tafel naast ons stonden. Hun mechanische dansjes werden blijkbaar gesmaakt. De bewegingen werden sensueler en van tijd tot tijd werd er een tong gedraaid. De grenzen van het welvoeglijke werden stilaan overschreden. In hun broek zag ik rare knobbels verschijnen en één na één verdwenen mijn vrienden voor een poos met hun begeerlijke aanwinst. Rarara. Het werd een niet te vergeten avond.

Het was al middag toen we wakker werden. Mijn broer en mijn tweede beste vriend waren blijkbaar op het terras van het appartement in slaap gevallen en zagen er werkelijk geradbraakt uit. Het regende pijpenstelen. Eigenlijk waren we daar niet zo kwaad om, want nu in de zon vertoeven zou onze kater enkel maar verergeren. Ik stelde voor om richting de monding van de Ebro te rijden.

De Ebro is de grootste rivier van Spanje en mondt een kleine honderd kilometer onder Salou in deltavorm in zee uit. De delta is eigenlijk een klein schiereiland waar je je niet meer in Europa waant door de straffe combinatie van uitgestrekte rijstvelden, laag overvliegende flamingo’s en in de verte, richting binnenland, besneeuwde bergtoppen. In 1983 werd de Ebro-delta uitgeroepen tot beschermd natuurgebied. Het is de natuurlijke broedplaats van een kleine honderd vogelsoorten en nog eens honderd andere vogelsoorten kiezen de Ebro-delta als overwinteringplaats. Dat is de helft van alle vogelsoorten in Europa. Om de rust van de vogels te garanderen, zijn verschillende delen van de delta dan ook niet toegankelijk voor het publiek.
Spijtig genoeg wordt verwacht dat binnen dertig jaar meer dan de helft van de delta verloren zal gegaan zijn. De helft van de oppervlakte van de delta ligt namelijk slechts een halve meter boven de zeespiegel en verschillende gebieden liggen er zelfs onder, zodat de stijging van de zeespiegel nefaste gevolgen zal hebben. Bovendien zal tegen dan tevens het ‘Plan National Hydrolico’ zijn uitgevoerd, een grootscheeps, bijna megalomaan project met meer dan honderd dammen op de Ebro, dit voor het op grote schaal transporteren van water naar de zuidelijker gelegen toeristische costa’s. Zo zal minder water en meer sediment de delta bereiken, waardoor het gebied, door het gewicht van het sediment, ook nog eens enkele millimeters per jaar zal verzinken. Spijtig maar helaas.

Eenmaal op het schiereiland, besloten we eerst volledig links aan te houden. We reden tussen eindeloze rijstvelden. Ik was net aan het indommelen op de achterbank van onze Clito toen me enkele psychedelische paddestoelen werden aangeboden. Ik weigerde niet. De gewenning zou er wel voor zorgen dat de champignons een minder straffe trip dan twee dagen voordien zouden teweegbrengen.
De rijstvelden maakten plaats voor zoute moerassen en een bizar ogend merenlandschap. Plots doemde een enorme zandvlakte voor ons op. Het grootste strand dat ik ooit heb gezien, tenzij je ook woestijnen meerekent. Op het eind van de vlakte zag je de zee. ‘Gas geven!’, mompelde ik tegen de chauffeur. Mijn broer gaf plankgas en we stoven door het zand. Door de onophoudelijke regen waren overal plassen ontstaan en we hobbelden over de zandvlakte. Mijn broer maakte er een stevige rallyrit van, een natte woestijnrally. Op het punt waar het strand de zee raakte, stond een vuurtoren. ‘La Punta del Fangar’, stond er op een bord te lezen.
Uit het plannetje naast het bord bleek dat het aan de rechterkant van het schiereiland misschien ook wel leuk was. We lieten het strand achter ons en reden door prachtige, door rietvelden omgeven lagunes. We leken wel in een andere dimensie te zijn terechtgekomen. We moesten even halt houden toen een enorme pikdorser ons de weg versperde. We keken verbaasd toe hoe de pikdorser op een oplegger manoeuvreerde en weer uit ons zicht verdween.
Twee kilometer verderop stopte de weg ineens. Ongeveer in het midden van de delta stroomt de machtige Ebro. Het duurde even eer we doorhadden dat er een overzetboot heen en weer over de rivier pendelde. Tijdens de overtocht genoten we van de oorverdovende stilte. De tijd had hier klaarblijkelijk stilgestaan.
We zetten onze tocht verder en bereikten uiteindelijk terug de zee. Kilometers lang reden we met een lang, verlaten zandstrand links van ons, en een tot aan de horizon reikende lagune rechts van ons. Er bleef slechts een strook van enkele meters om over te rijden. Het druilerige weer versterkte de indruk dat we door het water reden. We voelden ons als Moses die het water van de Dode Zee kliefde tijdens de vlucht van de Joden uit Egypte. Door het onnatuurlijke lawaai van onze auto vloog enkele meters naast ons een zwerm van wel honderd roze flamingo’s op. Een hallucinerende ervaring. We konden de prachtige beesten bijna aanraken, zo dicht waren ze. Deze vogels werden op de vijfde dag door God zelf gestroomlijnd. Niettegenstaande hun roze kleur, bestaan er naar het schijnt geen homofiele flamingo’s, dat zou niet goed zijn voor het voortbestaan van de soort. Deze domme opmerking is uiteraard volledig terzijde.
Iets later stonden we op het uiterste rechterpunt van de delta. Weer was er een bord. Dit eindpunt noemde ‘Punta de la Banya’. We stapten uit en beklommen de zandduinen. Hierachter verscheen zo ver je kon kijken de ene zoutmijn na de andere. ‘Salinas’ in het Spaans en dat dekt naar mijn bescheiden mening exact de lading. Vooral de eerste lettergreep dan, want die ellenlange zoutvelden zijn een echte vuiligheid. Nog geen moment later snelden twee bewakers naar ons toe en gebaarden ons dat we daar eigenlijk niet mochten komen. Dit deel van de delta was blijkbaar verboden voor onbevoegden. Zouden ze daar misschien nog iets anders drogen dan zout? Aan hun gezichtsuitdrukking zagen we dat de bewakers zeer onder de indruk waren dat we hier in dit hondenweer überhaupt waren geraakt. Ze vertelden ons dat het springtij was, wat in combinatie met slecht weer voor hetzelfde geld verkeerd had kunnen aflopen. Bij samenloop van dergelijke omstandigheden is er vaak helemaal geen weg meer tussen de zee en de lagunes. Met een beetje ongeluk word je dan in de zee meegesleurd, met auto en al. Om uiteindelijk aan te spoelen op Draconera, een drakeneiland ergens in de Balearen.
We stapten terug in de auto en reden, zeer op onze hoede voor onheil, op ons dooie gemak terug. Nog één keer moesten we nogmaals een beroep doen op onze schijnbaar onuitputtelijke voorraad geluk, toen onze chauffeur een klein riviertje letterlijk wou overdrijven door er in volle vaart in te rijden, wat we hem gelukkig net op tijd uit zijn hoofd konden praten. Mijn broer was waarschijnlijk nog steeds onder invloed van de champignons, en dan zet je hem misschien beter niet achter het stuur. Een fractie later en we hadden te voet naar Salou terug mogen stappen, wat evenwel slechts een minieme domper zou geweest zijn op de schitterende dag die we achter de rug hadden.

De volgende ochtend merkten we dat onze auto echt wel smerig was. De Clito zag er mooi uit, ze zat van onder tot boven onder het zand en de modder. Zo erg dat zelfs een stoere jeeprijder er voor één keer niet nog een week mee zou rondrijden, maar onmiddellijk naar de carwash zou rijden. Een grondige poetsbeurt zou waarschijnlijk echter niet volstaan. Aan de auto scheelde blijkbaar ook wel iets ernstigers, op de terugweg gisterenavond was het precies een oude rammelkar. Alsof we elk moment in panne konden vallen en hulpeloos aan de kant van de weg zouden moeten wachten op touring wegenhulp. Op twee dagen tijd was onze Clito van een blinkende bolide in een schroothoopklaar vehikel veranderd.

Na drie dagen hadden we het wel gezien in Salou en beslisten we de resterende twee dagen in Barcelona door te brengen. Dat vonden we alle vier een supergoed idee.

Barcelona is de hoofdstad van Catalonië, de welvarendste autonome regio van Spanje. Het is de thuisbasis van voetbalclub Fc Barcelona die in haar impressionante stadion ‘Nou Camp’ tweewekelijks meer dan honderdduizend vurige supporters, de ‘socios’, op de been brengt.
Het is een zeer levendige stad die een typisch mediterrane gezelligheid uitstraalt. Nochtans hoort men vaak dat Barcelona tot 1992 met haar rug naar de Middellandse Zee leefde. De grootse infrastructuurwerken naar aanleiding van de Olympische Spelen van dat jaar brachten hier verandering in en maakte van de zee een bijkomende trekpleister voor deze stad met een paar miljoen inwoners.

We reden dadelijk naar de opvallendste bezienswaardigheid van de stad, de ‘Sagrada Familia’. De Boetetempel van de Heilige Familie in het Nederlands, vraag me niet waarom. Het is het meesterwerk van Barcelona haar beroemdste zoon, Antoni Gaudí, en het is het symbool geworden van de modernistische architectuur in Barcelona. Het gebouw werd onlangs tot werelderfgoed verklaard door de Unesco.
Gaudí had het project in 1883 overgenomen van de toenmalige stadsarchitect, die een neogotische kerk had uitgetekend maar er de brui aan gaf toen de crypte was afgewerkt doch hem niet kon bekoren. Gaudí veranderde onmiddellijk de plannen van zijn voorganger. Hij ontwierp een excentriek bouwsel en stouwde de plannen vol christelijke symboliek. Zo werden, naar het aantal apostelen, twaalf klokkentorens ontworpen, en moest elke façade een moment in het leven van Christus uitbeelden. Aldus lopen de vier gevels van de geboorte van netgenoemde verlosser, over zijn leven en dood, tot zijn verheerlijking.
Het zou uiteindelijk Gaudí’s laatste werk worden. Hij wijdde de laatste jaren van zijn leven uitsluitend aan dit project en leefde zelfs als een kluizenaar op de werf. De voltooiing van de Sagrada Familia maakte Gaudí jammer genoeg niet meer mee. Hij had evenwel zien aankomen dat het werk nog jaren, misschien wel tientallen jaren zou aanslepen, en liet een schat aan gedetailleerde ontwerpen, maquettes en tekeningen na, op basis waarvan men nu nog steeds verder bouwt. Als ultiem eerbetoon werd Gaudí na zijn dood begraven in de crypte van de basiliek.
Zoals gezegd is de kerk tot op heden nog steeds niet af. Dit komt voornamelijk doordat de bouw enkel wordt betaald door donaties en inkomsten van bezoekers. Ofschoon reeds meer dan twee miljoen toeristen het bouwwerk bezocht hebben, vrezen velen dat de kerk op die manier voor eeuwig onvoltooid zal blijven. Er wordt namelijk al zo lang aan gewerkt dat ondertussen de bestaande delen stilaan dienen te worden gerenoveerd, wat eigenlijk niet mag verwonderen, want de basiliek heeft na al die jaren nog steeds geen dak. Voorzichtige ramingen stellen 2030 als vroegste opleveringsdatum voorop. Als de bouw ooit afraakt, zal het wel de grootste basiliek ter wereld zijn.
Het thans te bewonderen resultaat is een wonderlijk bouwwerk, met een massa grillig gevormde torens en ornamenten. Na vierhonderd wenteltraptreden krijg je in één van de torens ook nog eens een adembenemend zicht op Barcelona. Superlatieven schieten tekort voor de gekste kerk ter wereld.
We vielen meermaals bijna achterover van verbazing. Van een gebouw, van een paar stenen. Allez een paar, laat ons zeggen een hoop stenen. Voor één keer waren we alle vier dezelfde mening toegedaan. Normaal is er altijd wel iemand die juist het tegenovergestelde over iets denkt dan de rest, meestal ben ik dat, maar nu waren we unaniem.
Het meest bewonderenswaardig vonden we het contrast tussen de gevel met de uitbeelding van de geboorte van Christus en die van zijn dood. De eerste is van de hand van de kunstenaar zelf, de tweede werd pas in de jaren negentig afgewerkt en is duidelijk een modernisering van Gaudí’s stijl. Ook binnenin zie je zo een verscheidenheid aan stijlen dat je zou denken dat men gewoon de plannen van enkele totaal verschillende gebouwen door elkaar heeft gemixt. Niettegenstaande onze gebrekkige kunstkennis ontwaarden we invloeden van het kubisme en zelfs van onze eigenste wereldvermaarde Art Nouveau.

Onze interesse in het werk van Gaudí was gewekt en we gingen op zoek naar andere bouwwerken van zijn hand.

‘Parc Güell’ is een stadspark dat Gaudí aanlegde in opdracht van Eusebi Güell, een rijke aristocraat uit Barcelona. Oorspronkelijk was het de bedoeling een soort tuindorp te bouwen in de typische stijl van de kunstenaar. Zo ver is het echter nooit gekomen. Enkel de inkom van de tuinwijk werd gerealiseerd. De rest bleef braakliggend land. We vonden er eigenlijk maar niets aan. Buiten de inkom van het park met een zaal vol scheve zuilen en daarboven een terras met wonderbaarlijke kronkelzitbanken, mozaïekversieringen en golvende muurtjes, kon het park ons maar weinig bekoren.

Onze volgende halte was ‘Casa Battlo’. Dit is een huis dat begin vorige eeuw compleet werd verbouwd door Gaudí. De kunstenaar haalde zijn inspiratie hiervoor overduidelijk bij de zee. Alles in en aan het gebouw is golvend en afgerond, zoals de golven van de zee. De voorgevel is bedekt met mozaïeken zoals de schubben van een vis. De zuilen op het gelijkvloers lijken wel de poten van voorhistorisch zeemonster. Het mozaïeken dak is precies de ruggengraat van een enorm reptiel. De balkons lijken op de kaken van reusachtige dieren. We waanden ons in een ander tijdperk. Het huis heeft bovendien geen strakke lijnen of rechte hoeken, wat op zijn minst origineel kan worden genoemd.

Iets verderop staat de imposante ‘Casa Mila’. Dit majestueuze appartementsgebouw wordt ook wel ‘La Pedrera’ genoemd, Catalaans voor steengroeve, omdat het gebouw eerder op een groeve lijkt dan op een woning. Het is een pareltje van een gebouw. Net als de ‘Casa Battlo’ is ook hier geen rechte lijn te bekennen, zelfs steunmuren ontbreken. ‘Een flatgebouw voor draken’ schreven de kranten bij de opening in 1912. Zo immens groot voelt het bouwwerk althans aan door de indertijd vernieuwende architectuur. Binnenin valt deze woning een beetje tegen, maar eenmaal op het dak vergaten we snel het half uur dat we hadden moeten aanschuiven om binnen te raken. Een golvend dakterras met betegelde draaischoorstenen en een uitstekend panorama over het centrum van Barcelona. De grillige schoorstenen voelden wonderlijk aan en hadden iets sprookjesachtig. Een ware beleving.

We vonden dat we nu wel genoeg cultuur hadden opgesnoven en stapten terug in de auto. Misschien ware het anders geweest mochten we overal alleen hebben rondgelopen, maar al die veel te drukke toeristische trekpleisters vervelen op de duur, hoe interessant ook. We hadden overigens ook nog altijd geen slaapplaats.

We stalden onze Clito op een parking aan de ‘Plaza de Catalunya’. Aan dit immense plein begint de ‘Rambla’, de bekendste straat van Barcelona. De twee kilometer lange boulevard loopt van de ‘Plaza de Catalunya’ tot aan de zuil van Christoffel Colombus aan de haven. Hier wijst Columbus in de richting waarvan hij dacht dat hij na zijn eerste ontdekkingsreis van Amerika kwam, namelijk India. Ook de grootste mensen kunnen zich al eens vergissen.
De ‘Rambla’ is een relatief groene straat, wat voor enige verkoeling kan zorgen in het soms broeierige Barcelona. Vroeger liep hier een rivier die het overtollige bergwater naar de zee voerde. Tussen de twee rijen bomen vind je allerlei kraampjes met vogels en bloemen. Verschillende drank- en eetgelegenheden pogen je te strikken. Loop hier echter niet in want je betaalt veel te veel voor wat je op je bord krijgt. Ook menig kunstenaar probeert hier zijn werk aan de man te brengen. Ook al begrijp ik niet wat je daarmee moet aanvangen, als je ooit een cartoon van jezelf wil, kom dan naar hier. Om de twintig meter staat trouwens ook een bewegend kunstenaar. De meeste onder hen doen hun naam evenwel weinig eer aan, ze proberen zelfs zo weinig mogelijk te bewegen. Tussen die rare jongens staat er ook altijd wel eentje die denkt dat hij Napoleon is. Bijster origineel.

Na enig zoekwerk vonden we een hotelletje. De hotelmanager gaf ons zijn laatste kamer, één met een balkonnetje dat uitkeek over de ‘Rambla’.
Ik ben trouwens nog vergeten dat je op de ‘Rambla’ op wonderlijke wijze de meest typische Spaanse bezigheid kan aanschouwen. Flaneren. Urenlang kunnen Spanjaarden, meestal met het hele gezin, inclusief overgrootmoeder en achtertante, ogenschijnlijk doelloos rondslenteren. De ‘Rambla’ is de flaneerboulevard bij uitstek.
De kamer was niet al te proper maar de prijs was redelijk. De hotelbediende vertelde ons dat we geen beter weekend hadden kunnen uitpikken voor een minitripje Barcelona. We hadden het geluk dat dit weekend de beschermheilige van de stad werd gevierd. De ‘Mercè’ is het belangrijkste feest van het jaar en geldt een beetje als afsluiter van het zomerseizoen. Na een meestal hete zomer, begint eind september de aangename nazomer. De meer draaglijke temperaturen zijn voor bijna iedereen zeer welgekomen en dat moet uiteraard worden gevierd. Drie dagen lang is Barcelona in de ban van diverse spektakels, concerten en andere activiteiten.

We lieten onze koffers achter in onze kamer en trokken de historische binnenstad van Barcelona in. De Gotische wijk is het oudste stadsgedeelte van Barcelona. De vroegere stadsmuren zijn ondertussen vervangen door grote straten en daartussen krioelen een massa kleine straatjes en steegjes. Een bijzonder aangenaam stadsdeel om wat rond te slenteren. Naast Gotische gebouwen zie je er ook verschillende in Romaanse bouwstijl. In het midden van de wijk kom je de kathedraal tegen. De kerk is genoemd naar de Heilige Eulalia, één van de patronessen van de stad, wiens relieken werden opgebaard in een marmeren sarcofaag in de crypte onder het hoogaltaar. Mocht dit je interesseren, je kan hier eveneens prachtig bewerkte vijftiende-eeuwse koorbanken en een elegant kruisbeeld van Christus bewonderen. Op het plein voor de kathedraal was net een klassiek concert bezig. Een voltallig orkest was er het beste van zichzelf aan het geven en we bleven even luisteren, maar ons hoofd stond niet echt naar klassieke muziek. Na enkele minuten besloten we richting strand te trekken. Het was al enkele dagen geleden dat we zand gezien hadden en dat mag niet in Spanje. Ik heb me ooit eens laten vertellen dat er zelfs strenge straffen op staan als je niet voldoende uren op het strand hebt gelegen. Stel je voor dat ze ons daarom op de luchthaven zouden tegenhouden bij onze terugreis naar België, dat zou ongelooflijk stom zijn.

Iets buiten het centrum vind je in Barcelona zowaar een naaktstrand. Bij mijn weten de enige grootstad in de wereld met een naturistenzone. Onze aandacht werd getrokken door een knappe brunette, een secretaresse die op het strand van een welverdiende siësta genoot. Genieten deed ze overduidelijk. Ze lag met haar benen wagenwijd open en genoot met volle teugen van de tientallen mannenogen die op haar welgevormde lichaam waren gericht. De slet.
Net voor het naaktstrand ligt de beste strandbar die Barcelona rijk is. Een hippe loungebar met de lekkerste ‘Tinto de verrano’ van Spanje. We dronken enkele van die frisse drankjes en lieten ons een uurtje door de zon gaar bakken.

Terug in het hotel waren we ons net wat aan het opfrissen toen een enorm kabaal de ‘Rambla’ overspoelde. Een heuse optocht van duivels en demonen trok door de straat. Vuurspuwende draken en allerlei soorten vuurwerk zorgden voor het lawaai. Van op het balkonnetje van onze hotelkamer hadden we een perfect zicht op de stoet. We trokken enkele lijntjes cocaïne en dat maakte de beleving enkel intenser. Wanneer de stoet uit ons zicht verdween, verlieten we het hotel en volgden we de parade naar de ‘Plaza Reial’.
De statige gebouwen op dit plein stralen een zeer aparte sfeer uit. Je waant je hier bijna in Mexico. Het plein heeft een relatief slechte naam, ‘s avonds wordt het overspoeld door een allegaartje van daklozen en anarchisten.
De draken en demonen hadden zich rondom het plein opgesteld en een massa volk verzamelde zich middenin de kring van monsters. Ons snuivertje cocaïne deed nog enkele keren de ronde. Enkel onder ons vieren welteverstaan.
In een angstaanjagend ritme weerklonken plots zware tromslagen. Dit was klaarblijkelijk het startsein voor de duivels. De draken en demonen kwamen op het ritme van de trommels in beweging. De kring werd langzaam maar zeker gesloten, als een lasso over de nek van een paard. Al het vuurwerk dat nog restte, werd met een hels lawaai tot ontsteking gebracht. Er ontstond lichte paniek onder de vele toeristen die het plein niet snel genoeg konden verlaten. De trechtervormige uitwegen van het plein konden de paniekerige massa met moeite aan. Wij bleven pal staan, te samen met enkele hardleerse Barcelonezen. Je voelde de warmte van het vuur. Spatten vuurwerk doofden op onze kleding en brandden er enkele gaatjes in.
Het getrommel stopte even plots als het was begonnen. De draken ook. Her en der ontstonden kleine feestjes rond een monster en de massa keerde stilaan terug nu het denkbeeldige gevaar geweken was. Subjectieve angst is een raar gegeven.
Er was op het hele plein geen drankstand te bemerken, blijkbaar lopen er weinig commerciële geesten rond in Barcelona. Een Marokkaan vroeg ons of hij ons wat pintjes kon halen, waarmee we gretig instemden. Enkele ogenblikken later stond hij te pronken met vier fris ogende pinten. Ik betaalde hem met een briefje van vijftig euro. Hij riep dat hij wisselgeld ging halen en verdween in de massa. Dacht hij. Normale toeristen heb je misschien te grazen op die manier, maar wij stonden ondertussen stijf van de coke en dan is het niet gemakkelijk om ons liggen te hebben. Ik achtervolgde hem op zeer korte afstand, misschien wel een half uur lang. Om de paar minuten tikte ik op zijn schouder en vroeg hem waar het wisselgeld bleef. Zijn ongeloof groeide zienderogen toen ik hem, net als hij dacht me te zijn kwijtgespeeld, telkens opnieuw verraste. De coke pepte me meer en meer op en ik begon stilaan mijn geduld te verliezen. Het was uiteindelijk de Marrokaan die blij was dat mijn ongeruste beste vriend me zogenaamd kwam redden uit de handen van een Mahrebijnse misdadiger. Roepend en tierend was ik de Moor in mijn beste Spaans aan het uitmaken. Mijn handen kwamen ook steeds losser te staan, het scheelde niet veel of hij had een verkwikkende pandoering gekregen. Hij wist werkelijk geen raad meer met me en met een wrang gevoel gaf hij ons zonder blozen onze vijftig euro terug. De omgekeerde wereld. Een mislukte Marokkaanse dief.

Omdat er op ‘Plaza Reial’ stilaan te veel volk samentroepte, zochten we rustiger oorden op. We begaven ons naar ‘Maremagnum’, een modern winkelcomplex aan de haven, met eetgelegenheden en een bioscoop. Hier bevindt zich ook één van de grootste zeeaquaria ter wereld, dit even ter zijde. Er was net een champagnebeurs aan de gang en we kochten ons zes flessen Spaanse schuimwijn. Omdat deze net als champagne in de kelder moet worden bewaard, noemen Spanjaarden hun schuimwijn ‘Cava’.
Het weer was ondertussen volledig gekeerd, het was in de gietende regen dat we onder een afdakje de ene fles na de andere kraakten. Van tijd tot tijd vloog er ook nog eens een serieuze streep cocaïne door onze neusgaten. We raakten aan de praat met zowat iedereen die ons passeerde. Na kennis te hebben gemaakt met een hele resem plaatselijke en toeristische schoonheden, beslisten we dat Deense vrouwen de leukste waren. Althans diegene die wij waren tegengekomen.
Op weg naar het hotel moesten we nog enkele opdringerige zwarte drugshoertjes letterlijk van ons lijf slaan. Het kan verkeren. Het ene moment hunker je naar een knappe Deense deerne, het andere sla je op de smoel van een lelijke negerhoer.
Voor ons hotel raakten we nog aan de praat met enkele gezonde Vlaamse boerendochters. We namen hen mee naar onze kamer. Hoe dat juist kwam, weet ik niet meer, maar nog geen tien minuten later stond ik van woede over te koken op het balkon van onze kamer. Ik had het aan de stok gekregen met twee Engelse toeristen die op de ‘Rambla’ blijkbaar iets hadden gedaan wat me in het verkeerde keelgat was geschoten. Of niets hadden gedaan terwijl ze iets hadden moeten doen. Soit, ik was uitzinnig van woede. Mijn broer probeerde me te bedaren, hij had schrik dat ik, toch wel zwaar beneveld door drank en drugs, zou vergeten dat we op de derde verdieping stonden en van het balkonnetje zou springen om die twee Engelsen in de pan te hakken. Hij nam me in een stevige borstgreep en gooide me op mijn bed. Mijn agressie was ogenblikkelijk verdwenen, want als bij wonder lagen daar twee lekkere Vlaamse spruiten die me zonder scrupules op andere gedachten brachten. Van het één kwam het ander.

De volgende was onze laatste dag. Het was al middag en om zes uur vertrok ons vliegtuig. De zon scheen en het was bijna ondraaglijk warm. We dumpten snel onze rondborstige vriendinnetjes en haastten ons opnieuw richting strand.
Aan de zuil van Christoffel Colombus, op het eind van de ‘Rambla’, zagen we een glimp van de meest traditionele gebeurtenis van de ‘Mercè’, ‘Els Castellets’. Zoals het woord het al zegt, is dit een kasteel, meerbepaald een menselijke toren. Het kasteel is pas af als de kleinste van soms wel twintig mensen de bovenkant van het bouwsel bereikt, door de anderen gedragen. Als je onderaan de toren staat, moet je uit goed hout gesneden zijn.
We stapten door naar dezelfde loungebar als de dag ervoor. Op het strand legden we ons met een lichte kater en een vers geperst sinaasappeldrankje op het strand voor de bar. Onze sokken hielden we aan. Kwestie van iets aan te hebben en mekaar te herkennen mochten we elkaar kwijtspelen, je weet maar nooit.
We waren net ingedommeld als een steeds luider wordend gezoem onze rust verstoorde. Aan de horizon, waar de lucht zee wordt, verschenen verschillende straaljagers. Even vreesden we voor een overzeese terroristische aanval. Islamitisch Noord Afrika ligt hier namelijk niet zover vandaan. Het werd echter een vliegshow van jewelste, zo eentje op het scherp van de snee. Een mooi spektakel als afscheidscadeau.

Om vier uur pikten we in het hotel onze bagage op, betaalden met de glimlach de uitbater voor bewezen diensten, en begaven ons naar de parking aan de ‘Plaza de Catalunya’ om de Clito op te halen. ‘Plaza de Catalunya’ is de centrale plaats van Catalonië. Het is een bijzonder groot plein met diverse statische gebouwen. Sommige gebouwen ademen een bijna communistisch sfeertje uit. In één van de gebouwen is een warenhuis van ‘El Corte Inglés’ gevestigd, de ‘Inno’ van Catalonië.
Op het plein stond een waanzinnige massa ons op te wachten. Eén of ander populair muziekgroepje was aan het optreden en het publiek was door het dolle heen. Met misschien wel honderdduizend verdrongen ze mekaar, als sardienen in een blik. Een nieuw heizeldrama was niet veraf. Het viel het best te vergelijken met Marktrock in Leuven in de tijd dat er nog geen limiet stond op het aantal mensen dat de Oude Markt mocht betreden, maar dan tien keer zo groot.
Hier was geen doorkomen aan. En de ingang van de parking bevond zich natuurlijk aan de andere kant van het plein, wat eigenlijk niet veel uitmaakte, want hoe zouden we in godsnaam met onze auto door deze massa geraken? Dat was onbegonnen werk. Bovendien bleek dat de optredens mekaar de hele namiddag zouden opvolgen en dat ’s avonds nog een spetterend vuurwerk zou volgen als afsluiter van de driedaagse ‘Mercè’.
Na kort overleg beslisten we ons autootje gewoon op de parking te laten staan. We hebben er nooit nog iets van gehoord.

We haastten ons met de trein naar het vliegveld en waren nog juist op tijd voor de terugvlucht. We zaten nog maar net neer in de altijd te kleine vliegtuigzeteltjes, toen de piloot ons krakend meldde dat het vliegtuig toestemming had gekregen om op te stijgen. Qua timing kon je nog iets leren van ons.


Hoofdstuk 5

Oktober 2005

Pas als we goed en wel terug thuis waren viel onze frank dat we eigenlijk op vakantie waren vertrokken om na te denken over wat we met onze net verworven rijkdom zouden doen. Het was licht anders gelopen. Het drukke schema van de onvergetelijke minitrip had ons helaas geen tijd gegund om aan ons nieuw kapitaal te denken. De meeste onder ons hadden er waarschijnlijk geen seconde bij stilgestaan. Daarvoor was het tempo van onze vijfdaagse te hoog en vooral te zwaar.
We hadden een kleine week nodig om te recupereren, we zijn ook geen twintig meer. Bij wijlen leek het eerder op afkicken. Weemoed maakte zich van ons meester en ‘s nachts werden we meermaals badend in het zweet wakker. Alle gifstoffen moesten uit ons lichaam en er zaten er blijkbaar redelijk wat in. We stelden vast dat we misschien beter eerst zouden nadenken over onze gezondheid in plaats van over ons geld. En zo geschiedde, we zweerden unaniem alle verboden drugs af.

Ook zonder drugs is het leven van een rijke vrijgezel best gezellig. Vrijgezel en geld, het is en blijft een leuke combinatie. Alles kunnen doen en laten wat je maar wil. Kopen wat je begeert en geen gepieker aan het einde van de maand. De bankdirecteur die naar jou komt in plaats van omgekeerd. Er openen zich werkelijk nieuwe werelden.

Op voorstel van de bazin van ons stamcafé plande ik, opnieuw met mijn drie beste vrienden, een activiteitenweek. Kwestie van iets te doen te hebben. In ons dorp werden we ondertussen ‘de vier musketiers’ genoemd, vraag me niet waarom, geen van ons hield muskieten.
Het mocht natuurlijk wel geen ordinaire week worden. Avontuur zou ons codewoord worden. We lieten het geld stevig rollen, het kwam niet op een euro meer of minder. Het in spectaculaire activiteiten gespecialiseerde reisbureau zag haar omzet plotsklaps verdubbelen.

We begonnen met een parachutesprong boven de Waddeneilanden. De brochure beloofde dat we ons zo vrij als een vogel zouden voelen. Wisten wij veel, enkel mijn broer had reeds enkele malen gesprongen toen hij bij de para’s zat. En daar herinnerde hij zich niet zoveel meer van. Het was eerder toen hij bij de para’s zat zat.
De uitstap startte niet zo veelbelovend. Een instructeur legde ons uit dat we niet alleen mochten springen, maar dat het een duosprong betrof met een ervaren parachutist. In een korte briefing werd ons uitgelegd dat je bij een tandemsprong bijna niets hoefde te doen en dat een gezonde portie lef volstond. Waren we daarvoor naar hier gekomen?
In het vliegtuig werden we elk aan een instructeur vastgemaakt. Daar zaten we dan, vastgeketend aan een wildvreemde man. Op vijfduizend meter werden de deuren geopend en werd ons duidelijk dat de portie lef nu moest worden verorberd. Mijn vrienden stortten zich één na één in de diepte, onmiddellijk gevolgd door hun instructeur. Ik ondervond dat dat ene stapje in het ijle toch niet zo gemakkelijk was als het leek. De instructeur moest me uiteindelijk een handje helpen door zonder verwittiging uit het deurgat te springen. Omdat ik aan hem vasthing, werd ik onverbiddelijk meegetrokken.
Met een snelheid van meer dan tweehonderd kilometer per uur zoefden we naar beneden. Dive the sky! Bijna een hele minuut vrije val. Indruk- maar ook duizelingwekkend. Wie zijn ogen kon openhouden, kreeg onderweg een adembenemend panoramisch zicht over de verschillende Waddeneilanden. Dit was helaas het enige dat de parachutesprong zijn geld ietwat waard maakte.
Na een kleine minuut opende de parachute. Door de snok leek het alsof we heel even terug naar boven gingen, waarna de instructeurs ons zacht zwevend naar een veilige landing loodsten.
We kwamen alle vier redelijk teleurgesteld thuis, we hadden er blijkbaar iets te veel van verwacht.

De volgende ochtend werden we in een heuse limousine naar het Duitse Eifelgebergte gevoerd. We voelden ons een beetje sterren.
De limousine beschikte over een uitgebreide bar. Uiteraard kozen wij voor champagne à volonté, maar dat mocht ik eigenlijk niet vertellen. De hostess die ons in de twaalf meter lange limo vergezelde, wees er ons verschillende keren op dat de champagnebar ten allen prijze geheim moest worden gehouden, dit gezien de aard van onze volgende belevenis.
We stapten uit aan de prachtig in het groen gelegen Nürburgring. Op dit beroemde racecircuit zouden we in de voetsporen treden van Prost, Senna en Schumacher. Met koffie en koekjes werden we een half uurtje theoretisch onderricht over de diverse veiligheidsaspecten en racetechnieken, voornamelijk hoe je veilig door een bocht moest geraken. Daarna trokken we onze racelaarzen, -handschoenen en -helm aan voor enkele rondjes als copiloot in een opgefokte rallywagen. Het zou toch niet waar zijn zeker. Ik begon al te vrezen dat we net als gisteren het initiatief aan een ander zouden moeten overlaten. Mijn vrees bleek gelukkig ongegrond, want de volgende rondjes mochten we het heft zelf in handen nemen.
Zelf aan het stuur was de beleving al een stuk intenser. In tegenstelling tot wat ons was beloofd, kregen we weliswaar nooit een formule 1 wagen te zien, zelfs geen formule 2, maar niet getreurd. Vijftien rondjes in een supersnelle formule 3 wagen is al meer dan intensief genoeg. Uiterste concentratie is vereist, je hebt werkelijk geen seconde tijd om fouten te herstellen. Mijn tweede vriend miste tijdens één van de rondjes ei zo na compleet zijn bocht, waarschijnlijk had dat te maken met de champagne in de limousine. Gelukkig voor hem en zijn portefeuille, kon hij zijn fout nog net op tijd herstellen.
Na vijftien rondjes waren we alle vier compleet uitgeput. Qua uithoudingstest kon dit tellen. Ik zal alleszins nooit meer beweren dat de formule 1 een sport voor mietjes is.

Na de lucht en het land, komt het water. In een andere volgorde één van de onnozelste programma’s die de Nederlandse televisie ooit heeft voortgebracht.
Om zes uur moesten we opstaan om na een vervelende rit aan de Noord Franse kust wat in de Noordzee te gaan ploeteren. In de voormiddag stond er een jetskirace op het programma, in de namiddag konden we onze lusten botvieren op een echte Zodiac. De organisatie had zich de moeite getroost om een aantal parcours met boeien af te bakenen, maar dat kon ons niet echt begeesteren. Na enkele minuten was de fun eraf.
Op een korte adrenalinestoot na, toen één van de Zodiacs door een al te bruusk manoeuvre kantelde, was het een saaie dag. Zelfs bij dat kantelen werd de pret bedorven. De dodemansknop op de Zodiac, een kabel die de piloot en het besturingsysteem van de boot verbindt, zorgde ervoor dat de motor onmiddellijk stilviel. Anders zou er misschien wel eens iemand kunnen verdrinken! Stel je voor zeg. Veiligheid boven alles, maar avontuur zonder gevaar is geen avontuur.
Dit was de minst straffe activiteit die we tot dan toe ondernamen, en dat is nog vriendelijk uitgedrukt. Bovendien vielen de twee vorige, op enkele kortstondige kicks na, ook niet al te bijster mee. Als het zo verder zou gaan, zou onze activiteitenweek niet meer dan een dure bezigheidstherapie worden.

Twee dagen later trokken we naar de Ardennen voor een herhaling van de slag hierom in de winter van 1944. Je weet wel, het laatste spasme van het Derde Rijk aan het westelijk front. De Duitsers wouden met een groot offensief vanuit de Ardennen doorstoten richting Antwerpen. Aanvankelijk werden de geallieerde troepen overrompeld en even leek het erop dat de geallieerde frontlijn in tweeën zou worden gespleten. De opmars van het Duitse leger werd stoutmoedig gestuit in Bastogne. Toen de Duitsers deze stad hadden omsingeld en de overgave van de er gelegerde Amerikanen eiste, antwoordde generaal McAuliffe met de wereldberoemde woorden ‘Nuts’. Noten. Rare mensen die Amerikanen. Enkele dagen later verbeterden de weersomstandigheden en konden de Amerikanen worden ontzet met behulp van hun almachtige luchtmacht. Het bleek slechts een laatste wanhoopspoging van de Duitsers. Bijna 150.000 soldaten sneuvelden in de ‘Battle of the Bulge’. Dit laatste heeft trouwens niets met Belgen te maken maar enkel met de uitstulpende vorm van de frontlijn, voor zover dit je enigszins zou interesseren.
Wat ons vieren te wachten stond stelde iets minder voor, maar was toch meer dan redelijk spectaculair. Het lijkt mij het best te vergelijken met outdoor paintball, maar dan met tanks in plaats van met jezelf. Een hele dag oorlogje spelen met een twintigtal impressionante tanks, opgedeeld in twee teams. Bedoeling van het spel was uiteraard mekaar te immobiliseren. We voelden ons net kleine kinderen.
Met een tank rijden geeft een machtig gevoel. Door het kleine achteruikijkgat zagen we het spoor van vernieling achter ons. Met een tank rij je zonder enig probleem een volwassen boom plat. En als het moet ook meer dan één.
Het ging er redelijk stevig aan toe. Met een oorverdovend lawaai ontplofte de ene na de andere granaat. Als het te dichtbij was schudde zo een granaat je tank stevig dooreen. Aan het geschut was ietwat gesleuteld opdat er geen doden zouden vallen, maar een voltreffer bezorgde de inzittenden van de ongelukkige tank toch serieus wat schrammen en builen. Menigeen hield zelfs een kleine hersenschudding aan deze overdonderende dag over.
Aan het eind van de dag meldde één van de organisatoren dat we zesmaal zoveel granaten hadden verschoten als het vorige record. Daar waren we trots op.

Als laatste trip van de week had het evenementenbureau de meest sensationele bewaard. Het zou gaan tijd worden. De organisatoren deden er redelijk geheimzinnig over, er werd ons enkel verteld dat we voor twee dagen naar Krakau vertrokken. Ze wilden ons niet vertellen wat we daar zouden gaan doen. We landden op het vliegveld ‘Johannes Paulus II’, een tiental kilometer ten westen van de stad. De Polen zijn bijzonder trots op wijlen hun paus, hij is hier een soort nationale held. Ik laat in het midden of dat reden genoeg is om er ook een vliegveld naar te vernoemen, maar iets moest blijkbaar duidelijk maken dat Johannes Paulus II in de buurt van Krakau werd geboren.
Met de limousine werden we naar het centrum van de stad vervoerd, waar we logeerden in een luxueus vijfsterrenhotel op de grote markt van Krakau, het centrale hart van het bruisende sociale leven van de stad. Volgens de man aan de receptie van het hotel was het plein bijna even groot als het San Marco plein in Venetië.

Krakau is de derde grootste stad van Polen en was gedurende de Middeleeuwen en de Renaissance de hoofdstad van Polen. Het is één van de belangrijkste cultuursteden van Midden-Europa en wordt daarom ook wel eens het Firenze van het noorden genoemd. De oude binnenstad straalt een unieke sfeer uit, quasi ieder gebouw is hier een monument. De Joodse wijk ‘Kazimierz’ is de mooiste ter wereld. In tegenstelling tot Warschau en ook de meeste van de Joden, overleefde de stad de Tweede Wereldoorlog vrijwel ongeschonden en bleef het gros van de architectonische rijkdommen bewaard. Het mag dan ook niet verwonderen dat het stadscentrum door de Unesco als werelderfgoed is erkend. In het jaar 2000 is de stad trouwens ook één van de culturele hoofdsteden van Europa geweest.
Krakau is ontstaan rond een natuurlijke heuvel, de Wawel. Op de Wawel staat een burcht waar gedurende verschillende eeuwen de Poolse koningen resideerden. In de koninklijke vertrekken vind je er onder meer de grootste verzameling gobelins ter wereld. Voor de leken onder ons, dit zijn met de hand geweven wandtapijten. Naast het koninklijk slot bevindt zich de kathedraal waarin de kroning van de Poolse koningen gebeurde en waar de cryptes de koninklijke graven herbergen. De gouden koepel van de kathedraal is een stille getuige van het rijke verleden van de stad. Je komt de kathedraal tegen tijdens de ‘heiligenroute’, een bijzondere wandeling die je ook langs de zestien andere kerken van de stad leidt. Stuk voor stuk pareltjes trouwens.
Onder aan de Wawel vind je de ‘drakengrot’. Thans staat hier enkel nog een koperen beeld van een draak, maar in de Middeleeuwen woonde hier naar verluid een echte draak. Omdat hij het beu was dat de draak hem iedere dag enkele schapen en varkens kostte om de honger van het beest te stillen, beloofde de koning degene die de vuurspuwende draak zou verslaan, de hand van zijn dochter. Ze was niet van de knapste, maar het was wel de dochter van een koning, dan doet het uiterlijk er eigenlijk niet zo toe. Een schoenmaker ging de uitdaging aan. Hij slachtte een schaap, vulde dat met zwavel, naaide het weer dicht en gaf het aan de draak. Nadat hij het schaap had verorberd, vloog de draak door de zwavel in brand en sprong hij in de door de stad lopende rivier. Daar dronk de draak zoveel water dat hij openbarstte en stierf. Ofschoon de koning een schoenmaker wat te min vond voor zijn prinsesje, kwam hij zonder morren zijn belofte na. De schoenmaker en de dochter van de koning leefden nog lang en gelukkig. Zo hoort dat.

Krakau is een bijzonder leuke stad. Het enige storende, althans na een tijdje, is dat er elk uur vanaf de toren van de hoogste kerk een trompettist een melodietje begint te blazen. Enkele minuten later breekt hij zijn muziekje plotseling af. Naar het schijnt wou in de dertiende eeuw een torenwachter vanaf deze toren met zijn trompet de stad waarschuwen dat de Tartaren eraan kwamen, totdat hij dodelijk geraakt werd door een pijl en het trompetgeschal abrupt stopte. Omdat de om hun wereldvermaarde steak beruchte Tartaren vervolgens de hele stad verwoestten, wordt sindsdien elk uur dezelfde melodie gespeeld. De ‘Hejnal’ heet die traditie. Men had ons gewaarschuwd dat dit vooral ’s nachts aardig op de zenuwen kan werken. Helaas was dat niet gelogen.
Na de hele dag in de charmante binnenstad te hebben vertoefd, doken we ’s avonds het bruisende nachtleven in. In krakau krioelt het van de bars en cafés. De wodka vloeide rijkelijk en we deden ons tegoed aan enkele goedkope vrouwen. De pret duurde echter niet lang, want onze strenge reisbegeleider had zowaar de avondklok ingesteld. Om middernacht moesten we terug in ons hotel zijn en we hadden de norse begeleider beloofd dat we er ons aan zouden houden. We waren zelf een beetje verbaasd, maar we redden het net. Om twee na twaalf strompelden we de majestueuze hall van het hotel binnen. De op een uit het Russisch leger gedeserteerde officier lijkende portier wou er ons eerst niet inlaten, maar enkele woorden van onze iets verderop ijsberende begeleider deden blijkbaar wonderen. De leider bekeek ons met een zwaar scheef oog toen hij onze toestand zag. Waarschijnlijk was de oorzaak hiervan te veel wodka, van te veel vrouwen begin je naar mijn weten namelijk niet te wankelen. Zijn oog boezemde ons een beetje angst in, maar de begeleider bleek een vriendelijke man. Het enige dat voor hem van tel was, was dat we tijdig in ons bed zouden liggen. Zonder veel tegen te stribbelen kropen we onder de wol. Daar telden we een hele kudde schapen, best wel grappig.

De volgende ochtend werden we om tien uur gewekt door een bevallige vrouwelijke hotelbediende. De wodka zat nog in ons lichaam en er was een ijskoude douche nodig om ons te verkwikken. Een aanstekelijk doch vervelend melodietje zat in ons hoofd. Ons onderbewustzijn had waarschijnlijk in onze slaap de ‘Hejnal’ gememoriseerd en nu was het er niet meer uit te krijgen. Misschien hadden we wat meer moeten drinken. Van voldoende wodka mag normaal gezien zelfs je onderbewustzijn niet meer werken.
We stapten via de lounge de ontbijtzaal binnen. Aan onze rijkelijk gevulde tafel schoof ongevraagd een militair bij. Aan zijn decoraties te zien was het waarschijnlijk een generaal of zo. Zijn bovenlijf hing wat voorover door het gewicht van het zware eremetaal. Hij zei de hele tijd geen woord. Pas toen we ons ontbijt hadden verorberd en aanstalten maakten om de tafel te verlaten, begon de generaal te spreken. In tegenstelling tot wat we dachten, zat hij niet aan onze tafel omdat we er staatsgevaarlijk uitzagen of verdacht werden van spionage. Nee, de generaal zou ons vergezellen op onze sensationele activiteit. Het getuigde van net iets te veel hoogmoed om te denken dat de staatsveiligheid zich met ons zou inlaten. De geheime politie in de voormalige Oostbloklanden is trouwens niet meer wat ze ooit geweest is, waarschijnlijk drinken de meeste geheim agenten dagelijks meer dan wij gisteren, wat reeds meermaals tot conflicten leidde, soms zelfs grensoverschrijdende, maar dat doet nu niet echt ter zake.

We werden onder escorte naar een militaire basis niet ver van Krakau gevoerd. In het plaatsje Oswiecim bevindt zich een kleine geheime luchtmachtbasis. De naam van dit dorp zegt je waarschijnlijk niets en nochtans vind je in elk geschiedenisboek de gruweldaden terug die zich hier in de Tweede Wereldoorlog afspeelden. In Oswiecim werd namelijk het voormalige concentratiekamp Auschwitz-Birkenau gebouwd. Thans is dit een toeristische trekpleister, maar gedurende de laatste wereldoorlog heeft hier menig Jood het leven gelaten.
Hoewel het gros van de doden Joden waren, werden in het kamp ook duizenden politieke gevangenen, Sinti en Roma zigeuners, criminelen, Sovjet krijgsgevangenen en homoseksuelen omgebracht. Al deze mensen dienden in het kamp een verschillend herkenningsteken te dragen. De Joden moesten de alom bekende gele Davidster opspelden en homoseksuelen kregen een roze driehoek op hun kleding. Criminelen werden met een groene driehoek gelabeld, politieke gevangenen met een rode. Was je en Jood en homoseksueel dan had je het getroffen, want dan kreeg je een roosgele Davidster. Leg dat maar eens uit aan je medegevangenen. Je kan dit het nog het best vergelijken met de islamitische homo’s van nu, die hebben ook dubbele pech, maar dit louter terloops.
Toen in januari 1945 de soldaten van het Rode Leger het concentratiekamp bevrijdden, stond de dodentol op meer dan één miljoen mensen. Op vijf jaar tijd. Het gruwelijkste voorbeeld van de ‘Deutsche grundligkeit’. En dan moet nog worden benadrukt dat het kamp pas op kruissnelheid kwam nadat begin 1942 op de Wannsee-conferentie de uitroeiing van de Europese Joden was bestempeld als de definitieve oplossing voor het Jodenvraagstuk. De ‘Endlösung’ werd dit genoemd. Als je niet zou weten wat het betekent, klinkt het bijna romantisch.
Op hun hoogtepunt konden de gaskamers van Auschwitz twintigduizend mensen per dag liquideren. Als de crematoria niet meer konden volgen, werden de lijken in open lucht verbrand of gewoon in massagraven gedumpt.
Uit bijna heel bezet Europa werden mensen naar Auschwitz gedeporteerd. De meeste van de in overvolle goederentreinen en veewagens aankomende mensen, althans degenen die de dagenlange barre tocht hadden overleefd, werden dadelijk na aankomst in de gaskamers vermoord. De anderen, degenen die door de SS geschikt werden geacht om te werken, kregen in de onderarm een gevangenennummer getatoeëerd en werden als dwangarbeider ingezet in verschillende werkkampen, mijnen en fabrieken in de omgeving teneinde bij te dragen aan de Duitse oorlogsindustrie. Gemiddeld leefden zij aldus nog zes maanden in de meest erbarmelijke omstandigheden, volkomen overgeleverd aan de vaak sadistische genade van de SS-ers. Je zou je afvragen of je dan niet beter onmiddellijk werd vergast. Of zouden ze echt de cynische spreuk boven de ingang van het kamp hebben geloofd? ‘Arbeit macht frei’. Ik denk het niet.
Nochtans was Auschwitz I oorspronkelijk een concentratiekamp zoals alle andere concentratiekampen. Een kamp om mensen te concentreren, niet meer en niet minder. Pas in het najaar van 1941 werd het mortuarium van Auschwitz I omgebouwd tot gaskamer. Reichsführer van de SS Heinrich Himmler himself had hiertoe de opdracht gegeven. De eerste die de bedenkelijke eer kreeg kennis te maken met het ‘Zyklon B’ gas was een groep krijgsgevangenen uit de Sovjet Unie. In de op een doucheruimte gelijkende kamer deed een stevige portie blauwzuurgas haar werk zonder morren.
Auschwitz II, een drietal kilometer verderop gebouwd in Birkenau, was al van bij de bouw ervan zowel een concentratie- als een vernietigingskamp. Hier konden tweehonderdduizend mensen worden ondergebracht. Om je een idee te geven over de leefomstandigheden, de barakken van het kamp werden gebouwd naar het model van de paardenstallen van de SS. In een stal voor tweeënvijftig paarden werden tot achthonderd gevangenen opeengepakt. Een paard was in die tijd dus bijna twintig joden waard, van inflatie gesproken. De barakken waren smerig en vochtig, en tyfus en andere ziekten waren schering en inslag.
Auschwitz III, het minst en vaak zelfs niet bekende, was het eerste van een hele reeks werkkampen ten dienste van de Duitse oorlogsmachine.
Deze drie grote kampen vormden, te samen met nog wel veertig andere kampen waar de gevangenen dwangarbeid uitvoerden, een enorm vernietigingscomplex. Het enorme domein werd onderverdeeld in sectoren die werden afgespannen met prikkeldraad onder elektrische stroom. Honderden wanhopige gevangenen maakten van deze draad gebruik om zelfmoord te plegen. De draad uit ‘In de gloria’ krijgt meteen een geheel andere betekenis.
Toen ‘De Russen komen!’ werkelijkheid werd, werden de gaskamers door de nazi’s vernietigd om de sporen van hun daden te verbergen. De overblijvende gevangenen werden gedwongen te voet naar het westen te trekken. Dat werd, je voelde het al aankomen, een echte dodenmars. Enkel de zieken en zwakken werden achtergelaten. Bij de bevrijding van het kamp in januari 1945 vond het Rode Leger uiteindelijk slechts zevenduizend vijfhonderd uitgemergelde en stervende mensen.

Op de luchtmachtbasis kregen we een uitgebreide en zeer strenge veiligheidscontrole. Enkel ons rectum werd niet aan controle onderworpen. We moesten ook verschillende zaken afgeven. Foto’s nemen mocht bijvoorbeeld niet en dus werden onze hoogtechnologische gsm’s en mijn beste vriend zijn camera in beslag genomen.
Na een korte medische controle kregen we een briefing over wat we zouden gaan beleven. Ons geduld werd zwaar op de proef gesteld, we waren nu zo nieuwsgierig als een paparazzo in de kleerkast van prinses Mathilde. Bij wijze van spreken uiteraard, want we zouden niet graag iets wansmakelijk te beleven krijgen.
Het was de generaal zelf die ons uiteindelijk meldde dat ons zowaar een vlucht met een MiG te wachten stond! Ons enthousiasme liep over.
Toeval of niet, maar de eerste MiG werd tijdens de Tweede Wereldoorlog geproduceerd. De MiG-1 was een relatief kleine jager met een goede bewapening en uistekende prestaties. Zijn snelheid en hoogtebereik waren op dat moment de beste ter wereld. Het toestel bleek echter een nachtmerrie om mee te vliegen. Vooral de stabiliteit liet te wensen over, bij het minste geraakte je in een spin. Het was evenwel oorlog en de nood aan vliegtuigen was groot. Het toestel werd in productie gebracht en in de herfst van 1940 trad de eerste MiG-1 in dienst. Vele toestellen zagen nooit de frontlinie en verongelukten reeds bij de oefeningen. Vandaar dat er slechts honderd toestellen van werden gemaakt. De productie werd naar verluid op direct bevel van Stalin beëindigd.
De generaal begeleidde ons over het tarmac naar een blinkende MiG. Een vliegbrevet was blijkbaar niet nodig. Logisch, we hadden waarschijnlijk meer gestudeerd dan de generaal.
Eenmaal in de lucht viel ons allereerst de immense uitgestrektheid op van wat er restte van het concentratiekamp iets verderop. In de oorlog moest dit een middelgrote stad zijn geweest. We waren echter niet gekomen om de toerist uit te hangen en concentreerden ons op de vlucht zelf.
Het werd een onvergetelijke vlucht. De MiG onder ons gat was extreem wendbaar en vreselijk snel. Hij leek in niets op de onbetrouwbare toestellen uit de beginperiode van dit wereldvermaarde vliegtuig. De toestellen waarmee we vlogen waren een paar keer sneller dan het geluid. Ik had het niet verwacht, maar door de geluidsmuur breken is een ware sensatie. Na onze doortocht vrees ik wel dat deze muur niet meer zal kunnen worden hersteld, zo gebroken hebben we hem.
De loopings, rolls en turns volgden zich in snel tempo op. Top Gun live! Als je je toestel tot het uiterste liet klimmen leek het alsof je de rand van de aardse atmosfeer bereikte en bijna de ruimte invloog. Op het moment dat het vliegtuig niet meer meewou en terug richting Aarde bewoog, voelde je een ogenblik geen zwaartekracht meer. En dat mag een klein wonder heten, want met al die overtollige kilo’s had niemand van ons gedacht dat hij zich ooit nog gewichtloos zou voelen.
Al deze manoeuvres vergden opperste concentratie, wat niet altijd even makkelijk was met nog wat restjes wodka in ons lichaam. We overleefden echter alle vier zonder noemenswaardige problemen onze luchtdoop. Slechts een beetje stroeve en stramme spieren door de voortdurende druk van de zwaartekracht, maar wat wil je.
Het was een supersonische dag.

We waren opgelucht en voldaan toen we terug huiswaarts keerden. Door het extatische einde bleek de week uiteindelijk toch zeker de moeite waard.


Hoofdstuk 6

April 2006

Er volgden nog verschillende weken zoals die van vorig jaar. De vier musketiers maakten onder meer reizen naar Antarctica en de Galapagos eilanden. We beklommen zelfs de Mount Everest, althans dat dachten we. Toen we eindelijk boven waren geraakt, kregen we immers een prachtig uitzicht op een andere berg. Het enige probleem was dat die berg een stuk hoger was dan de top waar wij op stonden. We beklommen dus de berg naast de Mount Everest, die sherpa’s toch. Een weekendje Las Vegas legde ons geen windeieren, omgerekend wonnen we zowat twaalf miljoen euro. Drie weken later was het betrokken casino failliet. Het was nochtans leuk vertoeven in de ‘Tropicana’, ik bespaar je de details. Even overwogen we ook nog om een reis naar de ruimte te maken, wat commercieel nog maar net mogelijk was, als je maar genoeg geld op tafel legde. Uiteindelijk vonden we dat er toch net iets over. Ik deed mijn familienaam dus geen eer aan, maar, zoals al gezegd, in die tijd sloeg die enkel op vrouwen.

De tijd ging snel voorbij maar op de duur sloeg de verveling toch toe. We konden niet blijven reizen en activiteiten plannen. Ook al is dat voor velen een zalig droomleven, na een tijdje wordt ook dit een sleur en keken we uit naar iets anders. De vraag was alleen naar wat. Men zegt wel eens dat geld niet gelukkig maakt. Eenmaal de inspiratie op is wat ermee te doen, zit daar wel een grond van waarheid in. En wij kunnen het weten.

Op een nacht schoot ik wakker en wist ik wat ik met mijn immense kapitaal zou doen, althans met een stevige brok ervan.

Ik had net gedroomd. In de droom zaten verschillende beelden van een film die ik ooit had gezien, de titel ervan ontsnapt me even. Het ging over een Madrileense dienster wiens vriend in een ongeluk betrokken raakte, waarna de dienster compleet van de kaart naar een eiland in de Middellandse zee vluchtte, naar de plek waar haar vriend steeds over sprak. Wat ze niet wist was dat haar vriend daar enkele jaren eerder een one night stand had beleefd en dat hieruit een dochter was voortgesproten. Ik herinnerde me nog dat de recensies varieerden van briljant tot platvloers en dat ik me eerder bij deze laatste commentaar had aangesloten. Ik vond het een zeer verwarrende, moeilijk te volgen film met onduidelijke flashbacks en overbodige seksscènes. Ik weet het weer, ‘Lucia y el sexo’ was de titel van deze film, van de Spaanse regisseur Julio Medem.
Er zat inderdaad behoorlijk wat seks in de film, expliciete seks met kloppende penissen en natte vagina’s, wat in die tijd redelijk choquerend werd bevonden in ‘normale’ films. De seks was bovendien compleet zinloos, de meeste seksscènes konden mijns inziens zonder problemen worden weggeknipt.
Het was echter iets anders waardoor de film dermate in mijn lange termijngeheugen was gegrift dat ik er enkele jaren later over droomde. Het was niet de seks maar het mediterraanse eilandje waar de film zich grotendeels afspeelde. Formentera ligt net onder Ibiza en is een eiland met een onaardse schoonheid en een indringend romantische sfeer, overvloedig badend in zon en rust. Het desolate landschap wordt slechts verstoord door een handvol huisjes en pensionnetjes. De grootste attractie van het eiland is een roodwit geschilderde vuurtoren, voor het publiek overigens niet toegankelijk. In de film werd het adembenemende landschap nog benadrukt met een David Lynch-achtig effect van droom en realiteit. Het landschap werd opzettelijk overbelicht en de zee werd azuurblauw gelaten. Soms dacht ik dat een fictief landschap werd gefilmd.
Het was om dit bloedmooie eiland dat ‘Lucia y el sexo’ in mijn hoofd was blijven hangen.

Zelf de trotse eigenaar zijn van zo een eiland, dat leek me wel wat.
Ik besefte onmiddellijk dat een dergelijk prachtig eiland niet tot de mogelijkheden zou behoren en dat ik genoegen zou moeten nemen met iets kleiner. Iets betaalbaarder voornamelijk.
Het werd een moeilijke en lange zoektocht, maar na enkele weken en een vijftal eilandjes vergeefs te hebben bezocht, vond ik exact wat ik zocht.

‘Dragonera’.

Ik was eigenlijk al verkocht toen ik de naam hoorde, een naam die zowel met verpletterende kracht als met exotisch romantisme kan worden uitgesproken.
Dragonera is een onbewoond eilandje voor de zuidwestelijke punt van de kust van Mallorca. Het is ongeveer vijf kilometer lang en een kleine twee kilometer breed. Er staat enkel een oude wachttoren. Zijn naam heeft het eiland te danken aan haar vorm, vanuit de lucht bekeken is het namelijk net een draak.
Volgens de legende leefde hier bovendien ooit een drakenfamilie. Toen de Romeinen Mallorca koloniseerden en de menselijke beschaving te dicht naderde, moesten zij echter noodgedwongen andere oorden opzoeken. Naar het schijnt zouden zij de benodigde rust gevonden hebben in een grot in Krakau, wat best wel eens waar zou kunnen zijn. De enige draken die thans nog op het eiland leven zijn enkele soorten hagedissen, naar verluid verre nazaten van de familie.

Ik kocht het eiland van een overjaarse Britse dame van adel. Zoals wel meer voorkomt bij de oude aristocratie, kon zij de kosten van verwarming en onderhoud van haar kasteel in Engeland niet meer dragen en was zij verplicht het van haar tante geërfde eiland te verkopen. Ik betaalde haar een eerlijke prijs en zij was me zeer dankbaar dat ik haar uit de nood hielp. Het eiland stond al een tijdje te koop en ze had schrik gekregen dat ze er nooit van af zou geraken omdat het geen toeristische waarde bezat. Dat was nu net wat voor mij de doorslag gaf.
Ze vertelde me dat er zich eind jaren zeventig op het eiland een ware strijd had afgespeeld die een keerpunt betekende voor de ongebreidelde toeristische exploitatie van Mallorca. Er waren op dat moment plannen om het prachtige eiland vol te bouwen met een hele resem toeristische vakantiehotels. Verschillende groepen milieuactivisten protesteerden echter tegen deze plannen en bezetten het eiland. Na een bitse gerechtelijke strijd wonnen de activisten uiteindelijk het pleit en werd het eiland een beschermd natuurreservaat.
Dankzij de inzet van deze mensen is Dragonera nog steeds één van de meest wonderlijke snorkelplaatsen ter wereld. Voor de kust van het eiland vind je bijzonder mooie vissen en schitterend gekleurde koraalbanken. Je vindt hier zelfs de laatste giftige vissen van Europa. Deze riffen vormen bovendien een uitstekende broedplaats voor dolfijnen. Tijdens het snorkelen kan je je vaak urenlang amuseren met een nieuws- en leergierige dolfijn.
Het eiland is eveneens de ideale manier om de tot diep in onze genen geconditioneerde snelheid van de hedendaagse westerse maatschappij te ontvluchten. Door zijn uitzonderlijke schoonheid en rust is het de ideale plek om eens lekker te onthaasten. De stress valt hier letterlijk van je lijf.

Ik moest aan mijn grootvader denken toen ik bij de notaris de eigendomsakte tekende. Ik was nu de trotse eigenaar van een eiland van een ontelbaar aantal dagwanden groot. Mijn grootvader zou jaloers zijn. Hij had me altijd gezegd dat je pas binnen was als je honderd dagwanden in eigendom had. Ik heb hem altijd geloofd, want hij heeft het ver geschopt in zijn leven, met niet meer dan een gezonde portie boerenverstand.

Ik liet de oude wachttoren tot woning verbouwen. Twaalf kamers en evenveel badkamers liet ik tot in de puntjes afwerken. Een prachtige wenteltrap verbond de verschillende verdiepingen. De living en keuken werden op het gelijkvloers ondergebracht. Hier moest de toren ietwat worden uitgebreid, voornamelijk om wat meer lichtinval te krijgen. Een enorme glaspartij scheidde de leefruimte en de prachtig aangelegde tuin. In de tuin liet ook ik een luxueus zwembad graven.
Aan de natuurlijke haven van het eiland, met de romantische naam ‘Cala Llado’, liet ik een aanlegsteiger bouwen, wat het moeilijkste en vooral duurste van de hele verbouwing bleek. Ik had het moeten weten toen ik enkele weken tevoren het grootste in Europa rondvarende yacht had gekocht. Later zou bovendien blijken dat de boot een zware miskoop was. Niet dat er iets mis mee was of zo, het was gewoon niets voor mij, zo een uit de kluiten gewassen yacht. De eerste en enige keer dat ik er mee ging varen, kreeg ik een onverklaarbare angst voor een entering door piraten. ’s Nachts moest ik bij het minste geluid de hele boot inspecteren om terug met een gerust gemoed in bed te kunnen kruipen. Daar er op zee de hele nacht door altijd wel iets lawaai maakt, deed ik gedurende de drie dagen durende tocht geen oog dicht. Terug op mijn eiland besloot ik de boot zo snel mogelijk te verkopen. De kosten voor de aanlegsteiger waren evenwel geen weggesmeten geld, ik suste mijn geweten dat er nog wel andere mensen met de boot naar het eiland zouden komen, al wist ik op dat moment zelf niet goed wie.
De verbouwingen duurden uiteindelijk bijna twee maanden, met soms bijna honderd mensen tegelijk aan het werk. Ook mijn broer en mijn twee beste vrienden staken uiteraard een handje toe. Toen alles af was, herkende je het eiland niet meer. Niet dat het zo ingrijpend veranderd was, want ik had er steeds op gehamerd dat er zo weinig mogelijk aan de natuurlijke pracht van het eiland mocht veranderen. Het was door de quasi perfecte harmonie tussen de luxueus afgewerkte infrastructuur en de ruige natuur, dat het eiland nu een nog bijzondere uitstraling had.

Omdat het eiland niet te bereiken was met één of andere vorm van publiek transport en hij zich een beetje gefrustreerd begon te voelen dat hij steeds op het vasteland moest worden opgepikt, had mijn broer zich een privéjet gekocht. Aangezien er op het eiland niet voldoende plaats was voor een start- en landingsbaan en hij wist dat ik er nooit mee akkoord zou gaan een stuk van mijn prachtige eiland op te offeren voor een dom vliegtuig, had hij zich een watervliegtuig gekocht. Zo hoefde hij niemand te storen en kon hij landen waar hij wou.
Op een dag vloog hij met mij en mijn twee beste vrienden richting het vasteland. Het was reeds valavond. Hij landde bij het dichtstbijzijnde vissersdorpje. Hij wou niet zeggen wat, maar hij had hier bij één van zijn vluchten naar het eiland iets ongelooflijks gezien. Langs het strand stapten we een paar kilometer van het dorpje weg. De volgende baai kregen we een wondermooi zicht op het eiland. Iets later ging de zon onder en ik besefte dat mijn broer niet had overdreven. We kregen een vele malen mooiere zonsondergang te bewonderen dan degene die jij je nu aan het inbeelden bent. Door de rode gloed van de ondergaande zon veranderde het eiland zowaar in een vuurspuwende draak. Ik kon het nauwelijks geloven dat dit mijn eigendom was.

De eerste weken na de verbouwingen werden volledig gevuld met uitbundige feestjes. Uiteraard waren alle drank en een uitstekende catering volledig gratis. Bijna iedereen die ik kende feestte wel enkele dagen mee. Omdat er al gauw te weinig kamers waren in mijn toren, liet ik in allerijl een voldoende aantal veldbedden overvliegen, het was ’s nachts toch warm genoeg om onder de blote sterrenhemel te slapen. Vele bezoekers kwamen me ’s ochtends vertellen dat ze nog nooit zoveel sterren hadden gezien. Bij klare hemel zag je hier bijna drieduizend sterren, terwijl je er in Brussel met veel geluk niet meer dan driehonderd ziet.
Mijn broer vloog non-stop af en aan om vrienden en kennissen op te pikken. Na enkele dagen bracht hij ook minder bekende en zelfs volledig vreemde mensen mee. Een gerucht doet snel de ronde, zeker als het om goede parties gaat. Ik stelde hem als regel dat hij wel onbekenden mocht meebrengen, zolang zij maar van het vrouwelijk geslacht waren. Tegelijkertijd vaardigde ik ook een ‘jus prima noctis’ uit. Het enige dat ik van mijn vrouwelijke bezoekers in ruil voor mijn gastvrijheid verwachtte, was de eerste nacht dat ze op mijn eiland verbleven. Het ging er vaak decadent aan toe met mijn persoonlijke stoeipoezen.

Te samen met mijn broer en mijn twee beste vrienden promoveerden we na enkele feestjes absint tot nationale drank van het eiland. De originele absint welteverstaan, niet het brouwsel dat thans her en der verkocht wordt en een ware revival van het drankje veroorzaakt. Zelfs in België is de groene fee sinds kort geen verboden drank meer. Betere productiemethodes hebben daarvoor gezorgd. Nadeel van die nieuwe productiewijze is dat ze de aan absint verbonden hallucinaties achterwege laat. Dat was nu juist de kern van absint, dat is als een aspirine verkopen die je hoofd ongemoeid laat of een auto die niet beweegt.
De enige echte absint wordt enkel nog gebrouwd in Moldavië, een vergeten natie aan de Zwarte zee. Eén van de grote voordelen als je je eigen eiland en je eigen transportmogelijkheden bezit, is dat je niet echt via één of andere douanedienst moet passeren om bepaalde zaken in te voeren. Twee keer per maand vloog mijn broer met zijn privéjet om een nieuwe karvracht van de sterke drank. Hij ondervond nooit enig probleem met de autoriteiten, hij heeft ze zelfs nooit gezien.
Mocht ik ooit beslissen een eigen vlag voor mijn eiland te ontwerpen, er zou zeker een groene fee op voorkomen. Ze zou er prijken naast een vuurspuwende draak, maar dat had je al kunnen raden. God moge weten waarom absint als bijnaam ‘groene fee’ kreeg. Misschien is zij het die je betovert als je het drankje drinkt.
Eind negentiende eeuw was absint zo populair dat verscheidene bars zelfs een groen uur inlasten, een beetje zoals het gelukkig uur nu. Eigenlijk raar voor een toch niet ongevaarlijk drankje. Oscar Wilde schreef er ooit het volgende over: “Na één glas zie je de dingen zoals je wilde dat ze waren, na twee zoals ze niet zijn, en na drie zie je de dingen zoals ze werkelijk zijn, en dat is het gruwelijkste dat er bestaat.” Hij kon het weten want hij was één van de velen van zijn tijd die best en overvloedig kon genieten van absint. Zijn beschrijving slaagt de nagel op de kop.
We beleefden menige memorabele avond dankzij de groene fee. Het gevaar op aanvallen van waanzin en gekte namen we er graag bij. Ons geluk was dat na enkele maanden de grenzen van Modavië hermetisch werden afgesloten ten gevolge van een uitbraak van de gekke koeienziekte. Zelfs met ons privé vliegtuigje geraakten we niet meer ongezien in en uit hun luchtruim.
We moesten aldus noodgedwongen stoppen met het drinken van absint en eigenlijk was niemand daar rouwig om. Aan sommigen kon je namelijk stilaan merken dat ons eiland anders binnen de kortste keren in een psychiatrische instelling zou veranderen.


Hoofdstuk 7

Juli 2006

Ik was het bijna vergeten. Sinds de licht uit de hand gelopen fight club op mijn verjaardagsfeestje vorig jaar had ik nog steeds twee tanden tekort. Ik was het eigenlijk al gewoon gaan vinden, met een paar tanden minder geraak je ook wel door het leven. Hoewel het nog maar zelden gebeurde dat iemand schrok van het gapende gat in mijn mond, besloot ik om er toch maar eens iets aan te doen.

De dichtstbijzijnde tandarts was te vinden in La Palma, de hoofdstad van Mallorca. Mijn beste vriend wou er mij met zijn privéjet wel heen brengen, hij wou namelijk van de gelegenheid gebruik maken om eindelijk ook zijn tanden eens onder handen te nemen. Hij liep al jaren rond met enkele scheve tanden en het werd er niet beter op. Zijn vorige tandarts had hem reeds meermaals gezegd dat de enige oplossing het dragen van een speciale beugel was. Dat apparaat zou er voor zorgen dat de druk op zijn scheve tanden zou worden omgedraaid, zodat zijn tanden niet steeds schever maar terug rechter zouden komen te staan. Hij stelde dit telkens uit omdat dergelijke beugel slechts na enkele maanden effect heeft en hij er niet maandenlang wou bijlopen als een ontsnapte gek bij wie ze een mondbit moesten plaatsen opdat hij geen toevallige voorbijgangers zou bijten.

Op het plaatje naast de voordeur van het statige herenhuis stond in gouden letters ‘Doctorandus Markus Engele - Tandarts’, in het Spaans welteverstaan. We stoelden ons in de wachtkamer. Het was geen gewone wachtkamer. In pronkerige etagèrekastjes zagen we allerlei rekwisieten en souvenirs van verre reizen. Ik herkende enkele Zuid-Amerikaanse en zelfs pre-Columbiaanse kunstwerken. Er stond ook een heel servies in Beiers porselein. Zo een servies had ik ooit eens op een veiling gezien en ik wou er geld op verwedden dat dat in het etagèrekastje uit dezelfde periode dateerde. Om mijn gelijk te bewijzen brak ik voorzichtig het slotje van het glazen kastje open. Mijn vermoeden bleek te kloppen, onderaan de borden en kopjes was telkens met de hand een zwart hakenkruis geschilderd. Ik vroeg me af wat een tandarts met dergelijk in neonazistische kringen zeer gegeerd eetservies moest aanvangen. Mijn brein werkte op volle toeren en mijn beste vriend was zo vriendelijk met me mee te denken.

Toen de tandarts de wachtkamer betrad wist ik het onmiddellijk. Hij bewoog nog steeds even gracieus als in zijn hoogdagen. Ik had te veel geschiedenisboeken gelezen om hem niet te herkennen. Deze man heette in geen geval Markus Engele. Dit was Josef Mengele, de sadistische dokter Josef Mengele. Markus was slechts een verdoken M. Ik kon niet begrijpen dat niemand dat ooit had opgemerkt.

In de tweede wereldoorlog verdiende dokter Mengele zijn strepen als toegewijde SS-arts in het concentratiekamp van Auschwitz. Hij liep steeds gekleed in zijn beste uniform, pronkend met de diverse onderscheidingen die hij tijdens de oorlog had verdiend.
Dokter Mengele stond onder meer in voor het mensonterende selectieproces nadat de treinen waren gearriveerd. Hij kweet zich met genoegen van zijn lugubere taak. Met zijn stok dirigeerde hij nonchalant de gevangenen naar de gaskamers of naar de barakken. Hij besliste over leven en dood als bestelde hij een pint op café. Hij was anders dan de andere SS-artsen in het kamp. Terwijl andere SS-artsen zichzelf hiervoor eerst dronken dronken, nam hij zonder aarzelen de meest gevoelloze beslissingen. Vrouwelijke gevangenen werden bij de selectie op de koop toe ook nog eens seksueel vernederd. Terwijl ze werden uitgemaakt voor smerige jodenhoeren, moesten ze zich voor de dokter uitkleden.
Hij boezemde op de één of andere wijze iedereen angst in. Als in het kamp de zoveelste tyfusepidemie was uitgebroken, gaf met een speels gemak het bevel om de gevangenen bij duizenden tegelijk te vermoorden. Hij maakte meermaals zijn bijnaam ‘Engel des doods’ meer dan waar.
De wereldberoemde rockgroep Metallica wijdde in betere dagen een heel nummer aan de dokter. ‘Angel of death’ is een snoeihard nummer, net als de dokter. Zo beval hij op een dag tien met joodse kinderen volgeladen trucks om de laadkleppen te openen boven een grote brandende put. De kinderen die gillend en verbrand de put poogden uit te klauteren duwde hij meedogenloos weer de put in. Het was soms een bloeddorstig beest.

Dokter Mengele is echter voornamelijk gekend door zijn medische experimenten op gevangenen. Zijn lievelingsobjecten waren dwergen, reuzen en tweelingen. Zijn hoofddoel was de creatie van het Duitse superras. Dat hiervoor de ‘Üntermenschen’ moesten worden uitgeroeid, beschouwde hij als evident. Mensen met bepaalde aandoeningen of ziekten die een gevaar zouden kunnen vormen voor de perfectie van het ras steriliseerde of vernietigde hij. De superioriteit van het Arische ras moest ten allen prijze worden gevrijwaard.
Hij vertoonde tevens een enorme interesse voor de menselijke erfelijkheid. De genetica was volgens hem een basispeiler voor de verdere vervolmaking van het Duitse ras.
Zijn experimenten waren wreed en onmenselijk. De levende proefpersonen waren niet meer dan proefdieren. Zo castreerde hij puberale jongens zonder enige vorm van verdoving, injecteerde hij het bloed van de ene tweeling bij een andere, en diende hij homofiele Joden elektrische schokken en bacteriën van allerlei ziekten toe om hun weerstand te onderzoeken. Vele van zijn proefpersonen raakten blind nadat een kleurstof in hun ogen was geïnjecteerd om te zien of de kleur van hun ogen kon worden veranderd. Zijn gruwelijke sterilisaties hadden blijvende verminkingen en brandwonden als gevolg.
Als er tijdens één van de experimenten iemand overleed, verwijderde dokter Mengele diens ogen. Als trofeeën hing hij deze ogen aan de muur van zijn laboratorium. Als je zijn onderzoeksruimte binnentrad, keken honderden ogen je verbijsterd aan. Een lugubere ervaring. Josef Mengele werkte niet alleen in Auschwitz, hij wás Auschwitz.
Enkele dagen voordat het Rode Leger begin 1945 Auschwitz bevrijdde, vluchtte Mengele te samen met enkele gewone Duitse soldaten richting Berlijn. Uiteraard had de dokter zich van zijn SS-uniform ontdaan. Maandenlang zwierven ze doelloos door heel Duitsland rond, totdat ze door geallieerde troepen gevangen werden genomen en naar een krijgsgevangenenkamp werden overgebracht. Gelukkig voor hem herkenden de Amerikanen de dokter niet. Geschiedenis is de Amerikanen nooit gegund geweest. Uiteindelijk werd hij, met in het kamp gemaakte valse papieren in de hand, vrijgelaten. Hij besloot Duitsland te verlaten en, zoals vele andere oorlogsmisdadigers, naar Zuid-Amerika te vluchten, waar hij een volledig nieuw leven opbouwde.

Via nieuwe omzwervingen was hij nu dus blijkbaar op Mallorca terechtgekomen. Volgens de officiële versie was hij nochtans eind jaren zeventig in Brazilië tijdens het zwemmen overleden aan een hartaanval. En er klopte nog iets niet. Hij zag eruit als een kloeke veertiger, terwijl hij in werkelijkheid al bijna honderd jaar had moeten zijn.

De dokter had gezien dat ik hem had herkend en ik had gezien dat hij dat gezien had. Om hem gerust te stellen deed ik onmiddellijk alsof we enorme fans waren van zijn werk en opvattingen. Mijn beste vriend deed gretig mee, hij hield wel van een onverwacht rollenspel.
De dokter vertelde ons over zijn ontsnappingsroute naar Zuid-Amerika en over zijn in scène gezette dood in Brazilië omdat de autoriteiten hem te dicht op de hielen zaten. We speelden onze rol van onvoorwaardelijke fans zodanig goed dat de dokter ons zelfs toevertrouwde dat zijn onderzoek naar de creatie van een Arisch superras weliswaar niet zo veel had opgeleverd, maar dat zijn genetisch onderzoek ergens midden de jaren zestig wel haar vruchten had afgeworpen. Terwijl zijn onderzoek naar de bouwstenen van de mens tijdens de Tweede Wereldoorlog nog als een doodlopend zijspoor was beschouwd, hadden zijn proeven in dat verband hem uiteindelijk geen windeieren gelegd. Hij had zowaar het eeuwige leven gevonden.
We konden niet anders dan hem geloven. Je moest hem daar zijn staan, vijfennegentig jaar en met moeite ouder dan wij.

Eén knipoog naar mijn beste vriend volstond om opnieuw op dezelfde golflengte te zitten. Met twee snelle bewegingen overmeesterden we de dokter. We leverden hem gekneveld uit aan de Spaanse politie.
Dat hadden we misschien beter niet gedaan. In een mum van tijd stond een leger journalisten ons allerlei vragen te stellen. We werden verblind door de flitsen van hun fototoestellen. We weigerden evenwel elk commentaar, we vonden dat we eerst en vooral een nachtje rust hadden verdiend na al wat er die dag gebeurd was.

De dag nadien gingen we eerst naar een echte tandarts. Rond de middag begaven we ons naar het stadhuis van La Palma. De burgemeester had ons hoogstpersoonlijk ontboden en we werden als echte helden onthaald. Talrijke hooggeplaatste personen woonden de snel opgezette ceremonie bij. Zelfs onze koning was speciaal naar de Balearen afgezakt. Hij vertrouwde ons toe dat wijlen de beroemde nazi-jager en holocaust overlevende Simon Wiesenthal, die veertig jaar lang vergeefs naar Mengele had gezocht, zich zou omdraaien in zijn graf. Onze koning grapte dat aan zijn behaarde achterste duidelijk zou te zien zijn hoe trots Simon op ons was. Ik moet toegeven dat ik niet wist waarom ik hiermee lachte.
Na de huldiging stonden we op de trappen van het stadhuis de pers te woord. Mijn beste vriend zijn spiksplinternieuwe apparaat weerkaatste de flitsen van de camera’s. Hij haalde sterk uit naar een reporter die ons vroeg welke angsten we hadden doorstaan toen we dokter Mengele ontmaskerden. ‘Moed is niet de afwezigheid van angst, maar ondanks die angst doen wat er gedaan dient te worden’, antwoordde hij zonder verpinken. Het werd even stil. Hij had dat waarschijnlijk ergens gelezen want ik achtte hem niet in staat dergelijke levenswijsheid ter plekke uit zijn mouwen te schudden.
We werden als internationale sterren bejegend. Een uitbundige massa stond ons bijna te aanbidden toen we in geblindeerde wagens werden weggereden. ‘Straks moet ik mijn eiland nog gaan beveiligen tegen ongewenste bezoekers’, zei ik ongerust tegen mijn beste vriend. Zo ver is het gelukkig nooit gekomen. Zoals zo vaak, vergat de pers ons even snel als ze ons ontdekt hadden.

Drie maanden later kreeg dokter Mengele op een in de media lang en breed uitgesmeerd proces een levenslange gevangenisstraf. In zijn geval was dat natuurlijk uiterst onprettig. Tja, dat zijn de nadelen van het eeuwige leven. Niets is zonder keerzijde.


Hoofdstuk 8

Juni 2007

Op een prachtige zomerdag ontmoette ik ze. Het was heet doch af en toe, net als het nodig was, waaide een koele bries de overtollige warmte van het eiland weg.

Toen ik haar prachtige verschijning rond het zwembad op mijn eiland zag lopen, sloegen mijn feromonen op hol. De vlinders in mijn buik bezorgden me krampen, zo hard gingen ze te keer. Blijkbaar had niemand anders haar in de gaten. Zeer eigenaardig want ze had een uitstraling om u tegen te zeggen. Mijn broer vertelde me dat ze reeds verscheidene aanbiedingen had gekregen om haar leven als fotomodel te slijten, maar dat ze steevast had geweigerd. Dat was niets voor haar, had ze mijn broer toevertrouwd, ze wou een normaal leven zonder al te veel glitter en glamour.

Ik stapte naar haar toe. Ik vervloekte mezelf dat ik aan mijn ‘jus prima noctis’ moest denken. Hoewel dit de zaken er een stuk makkelijker op zou maken, was dit niet de vrouw om mijn feodaal recht op bot te vieren. Hoe dichter ik naderde, hoe meer ik verblind werd door haar schoonheid. Haar boezem was redelijk zwaar doch wel gevormd. Ik verweet me binnensmonds dat dat weeral het eerste was dat ik had opgemerkt. Haar satijnbruine haren dwarrelden rond haar mooie aangezicht. Ik wist dat ze bijna dertig jaar oud was, maar ze zag er jonger uit dan ze was. Haar lijn was perfect.
‘U’, flapte ik er uit zonder dat ik het besefte. Dat kwam waarschijnlijk door haar uitstraling om deze letter tegen te zeggen. Nadat ik haar deze domme grap had uitgelegd, was alvast het ijs gebroken. We raakten aan de praat en al snel bleek dat we zeer goed overeenkwamen en over vele dingen dezelfde mening hadden. Dat is niet onbelangrijk voor een gezonde relatie. Ook al was dat niet het geval, ik had het gevoel dat ik haar al een hele tijd kende. Dezelfde avond nog ontdekten we mekaars lichaam. Misschien vind je dat te snel maar met wachten kom je ook niet ver.

Ik had de liefde van mijn leven ontmoet en was ervan overtuigd dat mijn vriendin er net zo over dacht. Na enkele dagen wist ik al dat we zouden trouwen, voor een nageslacht zouden zorgen en samen oud zouden worden.

Het was een prachtige tijd. Na drie weken liet ik ongewild mijn eerste scheet. Ik voelde me zo gegeneerd als toen ik door mijn moeder betrapt werd met mijn stijve geslachtsdeel in mijn voor mijn communie gekregen caleidoscoop. Hoewel daar niets abnormaals aan is, je hebt als testosterongedreven puber toch liever niet dat anderen daarmee geconfronteerd worden. Eerst poogde ik mijn vriendin nog wijs te maken dat het de Harley van de buurvrouw was, maar daar trapte ze niet in. We hebben er uiteindelijk eens goed om gelachen, een scheet brengt mensen dichter bij mekaar. Enige tijd later was haar eerste scheet iets minder grappig, we kwamen bijna om van de stank, maar dit terzijde.

Het was een zalige tijd. We waren twee handen op één buik. De wereld was van ons en samen konden we alles aan. Niets of niemand kon ons geluk verstoren. Onze kozingen waren lief en ontelbaar. Hand in hand liepen we soms uren doelloos rond op het eiland, we waren ons doel op zich. En, niet onbelangrijk, ook de seks was goed. We verlangden bijna onophoudelijk naar mekaar en kwamen soms dagen na elkaar ons bed niet uit. Een geluk dat ik de eerste maanden van onze relatie aan een zware vorm van acuut priapisme leed. In het begin had ik het behoorlijk moeilijk met haar lange lippen, een familiekenmerk waar zij onnoemelijk gecomplexeerd over was. Ze schaamde zich dood over haar lippen. Eenmaal je de juiste manier hebt gevonden om ze rond je lul te spannen, maken uit de kluiten gewassen lippen de seks evenwel alleen maar intenser. Mijn beste vriend noemde ons ‘love-birds’ en wij voelden ons super in onze door hem uitgevonden ‘love-bubble’. We hadden het geluk gevonden. En het geluk had ons gevonden.

We trouwden nog dezelfde maand.

Het trouwfeest werd groots opgezet, voor een laatste keer was iedereen welkom op mijn eiland. Na de trouw moest het maar eens gedaan zijn met al die feestjes. De tijd van volwassenheid was gekomen. De ceremonie zelf werd zo sober mogelijk gehouden, dit was tenslotte iets tussen mijn vrouw en ik. De priester van dienst was getooid in een lange witte albe en had een diepe, net niet zagerige vertelstem die iedereen in de ban hield. Hij gesticuleerde gepast toen hij enkele passages uit de bijbel voorlas. Alle aanwezigen, zelfs de meest ongelovige, luisterden gepassioneerd naar zijn monoloog.
Toen we elkaar het jawoord gaven was iedereen muisstil. Dat maakte het contrast des te groter met het uitbundige applaus en gejoel dat hierop volgde. Een fantastisch vuurwerk bevestigde onze eeuwige trouw.

Na de plechtigheid mochten alle genodigden aanschuiven aan een buitengewoon rijkelijk gevuld wandelbuffet. We hadden zoveel kaviaar besteld dat de prijs op de wereldmarkt met dertig procent was gestegen. Verschillende wereldsterren zorgden voor de nodige muzikale afleiding tussen de verschillende gangen door. Aan de tafels werd stevig wat afgelachen, maar dat kwam waarschijnlijk deels door de grote flessen lachgas die ik met open kraan op enkele strategische plaatsen rond het buffet had laten installeren.

De rest van de avond werd er vooral gedanst en gedronken. Een ontzettend groot kampvuur zorgde voor wat extra gezelligheid.
Tegen het einde van de avond konden sommigen, ik ga geen namen noemen, het zich toch weeral niet laten om het varken uit te hangen. Aan de toiletten zag ik een lange rij wachtenden. Blijkbaar hielden ze een wedstrijdje om ter langst met je hoofd in de wc-pot hangen. Mijn twee beste vrienden waren in hun mooiste kostuum over het brandende kampvuur aan het springen. Ik zag dat dat niet altijd even goed lukte. Ze stopten wijselijk nadat mijn tweede beste vriend slechts met alle moeite van de wereld zijn brandende das had kunnen doven. Ook mijn broer had zijn bezigheid gevonden, hij was met zoveel mogelijk vingers in zijn aars het zwembad over aan het zwemmen. God moge weten waarom.
Ik deed voor één keer niet mee, ik had betere dingen te doen. De eerste nacht met mijn kersverse echtgenote, daar kon niets tegenop. Het heeft zodanig gestoven in de slaapkamer dat we een week later nog peren tussen de lakens vonden.

Het was de mooiste dag van mijn leven.


Hoofdstuk 9

Juli 2007

Twee dagen later hadden alle genodigden het eiland verlaten en was de rust op het eiland weergekeerd. Enkel mijn broer en mijn twee beste vrienden waren er nog. En mijn echtgenote natuurlijk, maar die lag in bed nog wat na te genieten van onze zalige tweede huwelijksnacht.

We besloten een wandeling naar het hoogste punt van het eiland te maken. Een heuse berg met de welluidende naam ‘Puig de sa Pòpia’. De top van de paus, allez dat denk ik toch.
We dachten terug te zijn voor mijn bevallige eega zou ontwaken, maar dat bleek een zware misrekening. Het duurde meer dan drie uur eer we de top bereikten. Onze inspanningen loonden echter zeker de moeite, want van op de top kregen we een prachtig zicht over het gehele eiland. Ik was weemoedig trots op mezelf en mijn eigendom.

We waren nog maar net aan de afdaling begonnen toen mijn beste vriend ineens riep dat hij iets gevonden had. Hij haalde zowaar een half vergaan stuk perkament te voorschijn. Bovenaan het blad stond een imposant hakenkruis en daaronder was een gedetailleerd plannetje getekend. Het plan was reeds half verteerd door de tijd, maar we herkenden er toch nog het eiland in. Er was nog net genoeg leesbaar om ons te kunnen oriënteren. De berg en de natuurlijke haven stonden erop, en daartussen markeerde een doodshoofd de plaats waar we ons naartoe moesten begeven. Onder het plan had ook nog een tekst gestaan, maar de letters hadden de tand des tijds niet doorstaan.
Na een half uurtje zoeken vonden we een deur op de exacte plaats van de doodskop op het plan. Het was een zeer zware granieten deur. Met het volle gewicht van ons vieren kregen we de deur uiteindelijk open. Een muffe geur kwam ons tegemoet.
We traden een soort laboratorium binnen. Aan de muren hingen verschillende rode vlaggen met zwarte swastika’s en ook enkele foto’s van Hitler. Dit moest een geheim laboratorium van de nazi’s geweest zijn. Tijdens de oorlog was het in deze bunker waarschijnlijk een drukte van jewelste. Ik zag de wetenschappers al hectisch door mekaar krioelen.

Blijkbaar was men hier hals over kop moeten vluchten. Uit de vele achtergelaten documenten maakten we op dat de Spaanse dictator Franco aan de Führer had toegestaan het eiland te gebruiken voor geheime onderzoeken en proeven, dit als tegenprestatie voor de hulp van de Duitse luchtmacht bij de door Picasso vereeuwigde bombardementen op het Baskische stadje Guernica.

Uit de papieren bleek ook onomstotelijk dat onzen Adolf dan toch de eerste atoombom te pakken had, meer dan een jaar voor de Amerikanen zelfs. Het was weliswaar een primitievere en veel minder krachtige versie dan degene die door de Amerikanen uiteindelijk tegen Japan zou worden gebruikt, maar de vuile bom van de Duitsers zou toch over een uitgestrekt gebied radioactief materiaal hebben verspreid en zou zeker de opmars van de geallieerde troepen sterk hebben vertraagd en misschien zelfs hebben gestopt.

Van het moment dat hij aan de macht was gekomen had Hitler steeds de nucleaire ontwikkelingen met argusogen gevolgd.
Na de ontdekking van het neutron in 1932, duurde het niet zo lang eer men op het idee kwam een chemisch element met neutronen te beschieten en aldus de kern van dat element te destabiliseren en uiteen te laten vallen. De eerste kernsplijting was een feit. In 1939 ontdekte men bij toeval dat bij de splijting van het element uranium verschillende neutronen vrijkwamen, wat een kettingreactie kon veroorzaken als deze neutronen opnieuw een uraniumatoom zouden raken.
Vanaf dan poogde het nucleaire programma van het Derde Rijk een kernbom te maken die duizendmaal krachtiger zou zijn dan een klassieke bom. Als de nazi’s Tsjechië bezetten, was één van de eerste beslissingen die werd genomen dat het uranium van de Tsjechische mijnen uit de handel moest worden genomen en enkel mocht worden gebruikt in de laboratoria van het Derde Rijk.
Het ging Hitler echter niet voor de wind. Toen hij in 1933 aan de macht kwam, kwam er in Duitsland een ware intellectuele exodus op gang. De wetenschap diende namelijk in overeenstemming te zijn met de nationaal-socialistische ideologie en vele wetenschappers waren van het verkeerde ras of hadden verkeerde politieke ideeën. Het gros van de vluchtende wetenschappers trok naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, die sterk profiteerden van deze intellectuele migratie. In Duitsland werden de weggetrokken wetenschappers vervangen door onervaren en minder bekwame wetenschappers, wat uiteraard repercussies had om de kwaliteit van hun onderzoek. Toch slaagden de overgebleven wetenschappers erin zwaar water te produceren, uranium te verrijken en verschillende bomontwerpen te testen.

Pas nadat ze hadden gehoord dat de Duitsers snode plannen hadden om een atoombom te ontwikkelen, wouden de Amerikanen er ook eentje. In 1939 uitte de als pacifist geboekstaafde Albert Einstein de Amerikaanse president zijn ongerustheid over de situatie en stelde hij dat de bouw van een atoombom als absoluut prioritair moest worden beschouwd. Einstein was eigenlijk tegen de bom, de enige reden dat hij de ontwikkeling ervan steunde was zijn angst dat Hitler de hele wereld zou terroriseren als hij de exclusiviteit van het wapen in handen zou hebben. Wie de bom het eerste had zou trouwens ook de oorlog kunnen winnen.
In 1942 startte het ultra geheime Manhattan-project. Het project kreeg bijna onuitputtelijke financiële middelen en er werden enkele enorme laboratoria en plutoniumproducerende reactors gebouwd. De basis voor het project was de wereldberoemde formule van Einstein zelf, E = mc².
In het begin zou het een bom voor louter defensieve doeleinden worden, maar op het einde van de oorlog gebruikten de Amerikanen de bom echter toch effectief. Als eerste dan nog wel. En gelukkig enige tot nu toe. Bovendien brouwden de Yankees in dit verband één van de grootste leugens uit de geschiedenis. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, evenals bijvoorbeeld het conventionele bombardement op de Duitse stad Dresden, hadden niet tot doel de oorlog te verkorten of geallieerde levens te sparen, doch enkel en alleen het Rode Leger te intimideren. Het beste bewijs hiervan is dat de toenmalige Amerikaanse president Truman op de Conferentie van Potsdam, waar de kiemen van de naoorlogse wereldverhoudingen werden gelegd, zijn eerst verzoenende houding veranderde in een onverzettelijke nadat hij had gehoord dat de eerste kernproef geslaagd was en een explosie met een kracht van 20.000 ton TNT veroorzaakt had. Het zou het begin worden van de Koude Oorlog tussen de Verenigde Staten en Rusland. Geloof dus nooit de Amerikanen.

Naarmate het einde van de oorlog naderde intensifieerde ook Hitler zijn zoektocht naar een ‘wonderwapen’. Dat kon wel eens de enige resterende mogelijkheid vormen om toch nog de eindoverwinning te behalen.
In het laboratorium op mijn eiland gebeurden alle onschadelijke proeven in dit verband. De eigenlijke tests met de prototypes van de nucleaire wapens gebeurden in de bossen rond de concentratiekampen, waar gevangenen uit de kampen als menselijke proefkonijnen werden gebruikt. Voor mij was dat een geluk bij een ongeluk. Stel je voor dat er effectief tests op het eiland zouden gedaan zijn waarbij grote hoeveelheden radioactiviteit waren vrijgekomen, ik zou mijn investering kwijt zijn.

Op dezelfde dag als de landing in Normandië begonnen de geallieerden met de operatie ‘Alsos’, met als doel de wetenschappers die werkten aan de Duitse atoombom op te sporen en gevangen te nemen. Blijkbaar waren geallieerde elitetroepen ook op mijn eiland terecht gekomen en waren de hier gelegerde wetenschappers in allerijl uit hun laboratorium moeten vluchten. Anders zouden ze zeker niet zo roekeloos allerlei belangrijke documenten hebben achtergelaten.
Het was uiteindelijk pas door dergelijke sabotageacties dat de Duitsers hun voorsprong op de Amerikanen kwijtspeelden. Een geluk waarschijnlijk of Hitlers herhaalde mededelingen over een geheim wapen waren misschien een stuk vernietigender geweest dan zijn aanvallen op Londen en Antwerpen met conventionele V1 en V2 raketten. De laatste tests wezen uit dat de Duitse kernbom een gigantische vuurbol zou veroorzaken die met een temperatuur van bijna een miljoen graden en een luchtverplaatsing tegen zeshonderd kilometer per uur alles binnen een straal van een kilometer zou verrassen en verassen, waarna wat achter zou blijven voor tientallen jaren hoog radioactief besmet zou zijn.

We waren zwaar onder de indruk van onze ontdekkingen. Hiermee zouden we pas echt wereldsterren worden. Dit zou intergalactisch nieuws worden. We besloten echter, voor onze eigen bestwil, de bunker gewoon terug af te sluiten en er met niemand ooit nog een woord over te reppen. We hadden namelijk bij ons bezoek aan de tandarts vorig jaar al aan den lijve ondervonden hoe nefast het kon aflopen met die mediageile journalisten. Omdat deze keer de rust op ons eiland onverbiddelijk en voorgoed zou verdwijnen, zou het nieuws het zonder onze wonderlijke ontdekking moeten stellen. Voor je het weet zouden er namelijk elke dag horden toeristen zich staan te verdringen om een glimp op te vangen van de ‘bunker van het kwaad’.

Dit zou voor eeuwig en altijd ons geheimpje blijven.


Nawoord

Zomer 2013

Het is een slechte tijd.

Drie jaar geleden raakten de gemakkelijk ontginbare aardolievoorraden volledig op. Er kon enkel nog olie worden gevonden in dieper gelegen en zeer moeilijk te exploiteren olievelden. De olie werd zo schaars dat de prijzen voor een litertje benzine of stookolie letterlijk de pan uitswingden.

In tegenstelling tot wat iedereen had verwacht, was de mensheid niet in staat geweest tijdig alternatieve energiebronnen aan te boren. Daarvoor was het allemaal wat te snel gegaan. Alle grote olieconcerns hadden op grote schaal gesjoemeld met de zogenaamde beschikbare reserves en minder dan een jaar nadat er zogezegd nog voor honderd jaar olie was, moesten zij nu schromelijk toegeven dat de reserves uitgeput waren en dat sneller dan verwacht de laatste druppels olie naar boven zouden worden gepompt.

In het Midden-Oosten en andere tot dan toe olierijke gebieden barstten oorlogen uit om de laatste bronnen van het zwarte goud. In het Westen viel in het begin alles nog relatief mee. De gasvelden in Noord Europa en de Golf van Mexico bleken te volstaan om het grootste deel van onze energiebehoeften op te vangen. Men schatte dat men voor zeker nog vijftig jaar over voldoende gasreserves beschikte, als tenminste ook bij deze schattingen geen gesjoemel was te pas gekomen. De westerse overheden moedigden, via een uitgebreid premiesysteem, iedereen aan om voor verwarming en vervoer over te schakelen op aardgas als energiebron. Er werden ook massaal nieuwe windmolenparken gebouwd, ook al kon windkracht zelfs dan slechts in een fractie van onze energiebehoeften voorzien. Alle kleine beetjes hielpen echter.

Toen begonnen de terroristische aanslagen. Blijkbaar konden de moslimstrijders het niet verkroppen dat hun rijkdom ineens vergane glorie was. De terroristen hadden het voorzien op de Noord Europese en Midden-Amerikaanse gasinstallaties en ook op de windmolenparken. In dagelijkse, goed gecoördineerde acties voeren zij met kleine bootjes, volgestouwd met explosieven, tegen de weerloze platforms en molens. Na enkele weken was de productie compleet stilgevallen en moest ook het Westen het stellen zonder afdoende energievoorziening.

Het Westen, de Amerikanen op kop, reageerde door hele delen van het Midden Oosten met nucleaire wapens te bestoken. De gevolgen waren verschrikkelijk. De weinige televisiebeelden die ons bereikten toonden hartverscheurende, Wagneriaanse taferelen. In de rest van de wereld ging het er niet veel beter aan toe. Overal barstten burgeroorlogen los en terroriseerden dolgedraaide bendes dorpen en steden. Het leek een eeuwigdurende globale oorlog te worden.

Dadelijk na het uitbreken van deze globale burgeroorlog verschanste ik me met mijn broer, mijn echtgenote en mijn twee beste vrienden op het eiland. En, niet te vergeten, de twee kleine spruiten waarvan ik ondertussen de trotse vader was geworden. We bouwden onze eigen op koolzaad werkende stroomgenerator en kenden op het eiland weinig noemenswaardige problemen. De laatste maanden voor de oorlog hadden we serieus wat eten gehamsterd en toen de voedselvoorraden begonnen te slinken, ontplooide mijn tweede beste vriend zowaar een volledig zelfbedruipende voedselketen op het eiland, zodat we eigenlijk van niets of niemand nog afhankelijk waren. Aangezien de rest van de wereld zonder brandstof zat, werden we bovendien het grootste deel van de tijd met rust gelaten. Slechts zelden kwam er iemand overgezwommen of met een bootje aangepeddeld. Hoe erg dat ook mag zijn, die werd steevast genadeloos door mijn broer neergekogeld.

Zo lang de wereld zelf maar niet om zeep wordt geholpen, hebben we het op het eiland zo slecht nog niet. We leven weliswaar als gevangenen op ons eigen eiland, maar we leven tenminste nog en komen bijna niets tekort. Spijtig natuurlijk dat we met onze verworven miljoenen niets meer kunnen aanvangen, maar och, rijkdom alleen maakt niet gelukkig en ik denk dat we ons momenteel, gelet op de donkere tijden waarin onze wereldbol verkeert, zeer gelukkig mogen prijzen op dit wondermooie, bijna paradijselijke eiland.

Het is maar hoe je het bekijkt.


Einde.


 

 

 

 


© Ebiorix